Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Grote kwartelduif

Grote kwartelduif | Geotrygon mystacea

Bridled Quail-Dove | Paloma perdiz de Martinica

De grote kwartelduif is de kwartelduif van de noordelijke Kleine Antillen en de Maagdeneilanden, en de enige soort van de groep die alleen in dit deel van het Caribisch gebied voorkomt. Hij leeft verscholen op de bodem van dicht, vochtig bos en wordt veel vaker gehoord dan gezien. Zijn Engelse naam, Bridled Quail-Dove, verwijst naar de witte streep over de wang, die doet denken aan een hoofdstel.

Grote kwartelduif (Geotrygon mystacea)
Foto: Jason Crotty — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diepe, resonerende roep, hoe-hoeoeoe, waarbij de tweede toon langer is en daalt; soms ook een enkelvoudig hoeoeoe. De roep wordt met regelmatige tussenpozen herhaald, vaak vanaf de grond of een lage tak, en draagt ver door het bos. Vooral in de vroege ochtend en in het broedseizoen te horen.

Luister: ZangXC971327

Opname: Étienne Leroy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

28–30 cm, een vrij grote, gedrongen kwartelduif. De bovendelen zijn overwegend bruin, met een paarse tot bronsgroene glans op achterhals en mantel. Een kenmerkende witte streep loopt van de snavelbasis onder het oog door naar achteren, met daaronder een donkere baardstreep, en op de keel zit een kleine witte vlek. De borst is grijsbruin, de buik en de onderstaartdekveren zijn rossig tot kaneelkleurig. De poten zijn roodachtig. De seksen lijken op elkaar; jonge vogels zijn doffer en hebben lichte zomen op de veren van de bovendelen.

Verwarrings­soorten

De rosse kwartelduif Geotrygon montana, die op een deel van dezelfde eilanden leeft, is kleiner en duidelijk roestbruin van boven, met een lichte, minder scherpe wangstreep; het vrouwtje is olijfbruin. De Cubaanse kwartelduif Geotrygon chrysia, die op Puerto Rico met hem samen voorkomt, is warmer roodbruin van boven, met een sterkere glans en een lichte buik. De Antilliaanse treurduif Zenaida aurita zit vaker in de open lucht, is slanker en heeft witte vleugelranden en zwarte vlekken op de vleugel.

Leefgebied

Dicht, vochtig bos met een rijke ondergroei en een dikke laag bladafval, vooral op de berghellingen, maar ook in vochtige delen van droger laaglandbos en in ravijnen. Hij foerageert lopend op de grond naar zaden, gevallen vruchten en kleine ongewervelden. Het nest is een klein platform van takjes, laag in klimplanten, struiken of bomen. Het broedseizoen valt vooral van mei tot juli, met daarnaast broedgevallen in het najaar.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Op Puerto Rico zeer schaars, en dan vooral op Vieques en Culebra; daarnaast op de Amerikaanse en Britse Maagdeneilanden. Verder op Saba, Sint Eustatius, Saint Kitts en Nevis, Antigua en Barbuda, Montserrat, Guadeloupe, Dominica, Martinique en Saint Lucia, de zuidelijkste grens van het areaal. Op Sint Maarten en Saint-Barthélemy zijn er een paar losse waarnemingen. Buiten het Caribisch gebied komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Guadeloupe en de Amerikaanse Maagdeneilanden leveren de meeste waarnemingen op, maar ook daar is de vogel schuw. Rustig staan op een bospad in vochtig bos bij het eerste licht, en luisteren naar de lage roep, geeft de beste kans. Waar de soort aan bezoekers gewend is, zoals op sommige bewandelde paden, loopt ze soms op korte afstand over het pad.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Wereldwijd geldt de soort als niet bedreigd, maar op verschillende eilanden is ze schaars en gevoelig voor het verlies van bos, jacht en ingevoerde roofdieren zoals de mangoeste, katten en ratten. Op Puerto Rico geldt ze vanwege de geringe aantallen als een soort met hoge prioriteit voor bescherming.

Wetenschappelijke naam

Geotrygon mystacea | (Temminck, 1811)

Temminck beschreef de soort in 1811 als Columba mystacea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Geotrygon werd in 1847 ingevoerd door Gosse. Geotrygon is Grieks, van gē 'aarde, grond' en trugōn 'tortelduif': 'gronduif'. mystacea komt van het Griekse mustax 'snor', naar de witte streep onder het oog. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Amerika (niet nader bepaald; Santo Domingo waarschijnlijk onjuist).