Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Glanskoevogel
Glanskoevogel | Molothrus bonariensis
Shiny Cowbird | Tordo renegrido
De glanskoevogel is een Zuid-Amerikaanse broedparasiet die zijn eieren in de nesten van andere vogels legt. Vanuit Trinidad en Tobago en het Zuid-Amerikaanse vasteland verspreidde hij zich in de twintigste eeuw via de Kleine Antillen naar Puerto Rico (1955), de Dominicaanse Republiek (1972) en Cuba (1982), en bereikte in 1985 Florida. Op verschillende eilanden is hij een bedreiging geworden voor zeldzame endemische zangvogels.
Geluid
De zang van het mannetje is een reeks borrelende, vloeiende tonen die eindigt in een hoge fluittoon, vaak voorgedragen met opgezette veren en een buiging voor het vrouwtje of al cirkelend boven haar. De roep is een kort tsjuk; groepen laten ook een zacht gekwetter horen.
Opname: Cristian Pinto Fernandez — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
18–22 cm, met een korte, kegelvormige snavel. Het mannetje is geheel zwart met een purperblauwe glans. Het vrouwtje is kleiner en dof grijsbruin, iets lichter op de onderdelen, met een vage lichte wenkbrauwstreep, een vlakke kop en een iets langere en fijnere snavel dan bij andere koevogels. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, maar zijn op de onderdelen licht gestreept; jonge mannetjes ruien vlekkerig naar zwart.
Verwarringssoorten
De bruinkopkoevogel Molothrus ater, een dwaalgast uit Noord-Amerika, heeft een dikkere snavel; het mannetje heeft een bruine kop, het vrouwtje is grijzer. De Caribische troepiaal Quiscalus lugubris en de Antilliaanse troepiaal Quiscalus niger zijn groter, met een geel oog en een langere, kielvormige staart. De Cubaanse zwarte troepiaal (totí) Ptiloxena atroviolacea is groter, met een langere, spitsere snavel. De bruinboegtroepiaal Agelaius humeralis en de geelschoudertroepiaal Agelaius xanthomus hebben een gekleurde schoudervlek en een slankere snavel. Op Trinidad en Tobago is de grote koevogel Molothrus oryzivorus veel groter, met een rood oog en een kraag van opzetbare nekveren.
Leefgebied
Open en door de mens gevormd terrein: weilanden met vee, akkers, rijstvelden, tuinen, dorpen, open struweel en bosranden; gesloten bos en hooggebergte worden gemeden. Foerageert op de grond op zaden en insecten, vaak in groepen en in de buurt van vee. Bouwt geen nest: het vrouwtje legt haar eieren in de nesten van andere soorten, wereldwijd ruim 250 gastheersoorten. De eieren komen een of twee dagen eerder uit dan die van de gastheer.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Standvogel op Trinidad en Tobago, vrijwel alle eilanden van de Kleine Antillen, de Maagdeneilanden, Puerto Rico met Mona, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek) en Cuba. Op Jamaica, de Kaaimaneilanden en in de Bahama's schaars tot zeldzaam. Buiten het gebied over vrijwel heel Zuid-Amerika ten oosten van de Andes, en in kleine aantallen in het zuidoosten van de Verenigde Staten.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Groepjes zijn te vinden bij grazend vee, op erven en in parken. Een mannetje dat zingend zijn veren opzet en buigt, is kenmerkend voor de soort.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Door het parasitisme vormt de soort zelf een bedreiging voor kwetsbare gastheren, waaronder de geelschoudertroepiaal Agelaius xanthomus in Puerto Rico; daar worden koevogels in beschermingsprogramma's weggevangen.
Wetenschappelijke naam
Molothrus bonariensis | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Tanagra bonariensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Molothrus werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Molothrus is Grieks, van mōlos 'strijd' en thrōskō 'bevruchten', mogelijk naar het broedparasitisme of de baltsgevechten van de mannetjes. bonariensis betekent 'van Buenos Aires', de plaats waar de soort werd beschreven. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Buenos Aires, Argentinië.






