Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Gewone maskerzanger
Gewone maskerzanger | Geothlypis trichas
Common Yellowthroat | Mascarita común
De gewone maskerzanger is een van de talrijkste wintergasten onder de Amerikaanse zangers in het noorden van het Caribisch gebied. Hij leeft laag in dichte, vaak natte begroeiing en is eerder te horen dan te zien. Het zwarte masker van het mannetje is ook in de winter aanwezig.
Geluid
De zang is een luid, rollend wietsjetie-wietsjetie-wietsjetie, in het gebied vooral in het voorjaar te horen. De roep is een droog, schor tsjep, vaak herhaald uit dichte begroeiing en het meest bruikbare kenmerk in de winter.
Opname: Jeff Stewart — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
11–13 cm, klein, met een vrij lange, vaak opgewipte staart. De bovendelen zijn olijfbruin, keel en borst geel, de buik witachtig en de flanken bruinig; de onderstaart is geel. Het mannetje heeft een zwart masker over voorhoofd, oog en wang, aan de bovenkant begrensd door een witte tot grijze band. Het vrouwtje mist het masker en heeft een olijfbruine kop met een vage lichte oogring; de gele keel steekt af tegen de bleke buik. Jonge mannetjes in de herfst tonen een begin van een masker; jonge vrouwtjes zijn het doffst, soms met nauwelijks geel op de keel.
Verwarringssoorten
De Bahamamaskerzanger Geothlypis rostrata is groter, heeft een duidelijk zwaardere snavel en meer egaal gele onderdelen en leeft in drogere terreinen. De grijskopzanger Geothlypis philadelphia en de connecticutzanger Oporornis agilis zijn groter, met een grijze of grijsbruine kap en geheel gele onderdelen. De Kentuckyzanger Geothlypis formosa heeft een gele bril en geheel gele onderdelen.
Leefgebied
Zoetwatermoerassen met riet, biezen en lisdodde, natte graslanden, oevers, randen van mangrove en moerasbos, ook suikerrietvelden, ruigtes, dicht struikgewas en kuststruweel. Foerageert laag in de begroeiing en op de grond naar insecten en spinnen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Algemene wintergast op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico en de Maagdeneilanden. In de Kleine Antillen, op Trinidad en Tobago en op de ABC-eilanden zeldzaam tot zeer zeldzaam. Buiten het gebied broedend van Alaska en Canada tot Mexico en overwinterend van het zuiden van de Verenigde Staten tot Panama.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Vrijwel elk moerasje, elke rietkraag of verruigde slootkant op de Grote Antillen en de Bahama's kan in de winter maskerzangers herbergen. Het herhaalde, schorre tsjep verraadt de vogel; door stil te blijven staan aan de rand van de vegetatie komt hij vaak even nieuwsgierig naar buiten.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Een van de talrijkste zangers van Noord-Amerika, al is er over de afgelopen decennia een geleidelijke afname gemeten. In de overwinteringsgebieden kunnen het droogleggen van moerassen en het verdwijnen van ruigtes plaatselijk een rol spelen.
Wetenschappelijke naam
Geothlypis trichas | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Turdus Trichas; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Geothlypis werd in 1847 ingevoerd door Cabanis. Geothlypis is Grieks, van gē 'aarde, grond' en thlupis, een niet nader bekend klein vogeltje: 'grondzangertje', naar het leven laag in dichte begroeiing. trichas is Grieks, trikhas, de naam van een lijsterachtige vogel bij Aristoteles, door Linnaeus op deze soort overgedragen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Maryland (VS).





