Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Geelkruinkwak
Geelkruinkwak | Nyctanassa violacea
Yellow-crowned Night Heron | Martinete coronado
De geelkruinkwak is een gedrongen, middelgrote nachtreiger met een korte, dikke snavel, gespecialiseerd in krabben. Hij komt op vrijwel alle eilanden van het Caribisch gebied voor, in mangrove, langs rotskusten en in kustplaatsen, en is anders dan de naam doet vermoeden ook overdag actief. Op sommige eilanden, waaronder de Bahama's, worden jonge vogels gegeten.
Geluid
Een kort, scherp kwak of kok, iets hoger dan bij de kwak; vooral bij het opvliegen en 's nachts te horen.
Opname: José María Loaiza B. — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
55–70 cm, met een korte, dikke hals, een zware zwarte snavel en vrij lange poten. Volwassen vogels zijn blauwgrijs, met donkere veren met lichte randen op rug en vleugels. De kop is zwart met een witte wangvlek en een witte tot lichtgele kruin, die doorloopt in korte nekpluimen. Het oog is oranjerood, de poten zijn geel en in de broedtijd soms oranjerood. Jonge vogels zijn grijsbruin, met fijne witte stippen op de bovendelen en grijsbruin gestreepte onderdelen; het volwassen kleed wordt pas na ongeveer drie jaar bereikt. In de vlucht steken de poten ruim voorbij de staart uit. De seksen zijn gelijk.
Verwarringssoorten
Jonge kwakken Nycticorax nycticorax lijken sterk op jonge geelkruinkwakken, maar zijn warmer bruin, met grotere, druppelvormige witte vlekken op de vleugels, een dunnere snavel met een gelige basis en kortere poten, die in de vlucht nauwelijks voorbij de staart uitsteken. Volwassen kwakken hebben een zwarte kruin en mantel en lichtgrijze vleugels. De Amerikaanse roerdomp Botaurus lentiginosus is warmer bruin, met donkere strepen langs de hals en een donkere baardstreep.
Leefgebied
Mangrove, getijdenslik, rotskusten, kustlagunes en riviermondingen; op sommige eilanden ook beken in het binnenland en tuinen en parken in kustplaatsen. Eet vooral krabben, daarnaast kreeften, slakken, vissen en insecten, en jaagt bij dag en bij nacht, vaak afgestemd op het tij. Broedt alleen of in kleine groepen, in mangrove of andere bomen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Standvogel op vrijwel alle eilanden: de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad en Tobago. Op Barbados schaars. Buiten het gebied van het oosten van de Verenigde Staten langs de kusten van Mexico en Midden-Amerika tot in Peru en Brazilië, en op de Galápagoseilanden.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Langs mangrovegeulen en rotskusten in de schemering, of overdag rustend in de mangrove. Op veel eilanden ook in havens, langs boulevards en bij strandhotels, waar de vogels aan mensen gewend zijn en van dichtbij te bekijken zijn.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Op enkele eilanden, waaronder de Bahama's, worden jonge vogels illegaal uit het nest gehaald voor consumptie. Het kappen van mangrove kost plaatselijk leefgebied.
Wetenschappelijke naam
Nyctanassa violacea | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Ardea violacea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Nyctanassa werd in 1887 ingevoerd door Stejneger. Nyctanassa is Grieks, van nux, genitief nuktos, 'nacht' en anassa 'koningin': koningin van de nacht. violacea is Latijn voor 'violetkleurig', van violaceus. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Carolina in Noord-Amerika.





