Alle soorten › Zangvogels › Vireo's › Dikbekvireo

Dikbekvireo | Vireo crassirostris

Thick-billed Vireo | Vireo piquigrueso

De dikbekvireo is een vireo van de lage, droge eilanden in het noordwesten van het Caribisch gebied. Op de Bahama's is hij een van de algemeenste vogels van het struweel, en zijn luide, wisselende zang is daar het hele jaar te horen. Elke eilandgroep heeft een eigen ondersoort. De vogels van Providencia, die vroeger tot deze soort werden gerekend, worden tegenwoordig bij de mangrovevireo geplaatst.

Dikbekvireo (Vireo crassirostris)
Foto: Gary.leavens — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een luide, borrelende en zeer wisselende frase, zoals tsjik-die-del-wer-tsjip, die steeds herhaald wordt. Alleen de mannetjes zingen. Daarnaast hese scheldgeluiden.

Luister: ZangXC775679

Opname: Paul Driver — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11,5–13,5 cm, gedrongen, met een dikke, donker hoornkleurige snavel. Kruin, gezicht en nek zijn grijsachtig olijf tot bruinig olijf, de teugel zwartachtig. Een lichtgele streep loopt boven de teugel en gaat over in een lichtgele tot donkergele oogring, zodat de vogel een gele bril lijkt te dragen. De bovendelen zijn olijfgroen, de vleugels donker met twee duidelijke witte vleugelstrepen. De onderdelen zijn grijsachtig wit met een gele tint op de flanken. De iris is donker, de poten blauwgrijs. De seksen zijn gelijk. De ondersoorten verschillen in tint en in de hoeveelheid geel.

Verwarrings­soorten

De witoogvireo Vireo griseus, een wintergast op de Bahama's en Cuba, lijkt sterk, maar heeft een kleinere snavel, een grijzere nek en bij volwassen vogels een witte iris; jonge witoogvireo's hebben een donkere iris en zijn alleen aan snavel en nek te onderscheiden. De Cubaanse vireo Vireo gundlachii is bruiniger, met een vage, okerkleurige bril en zwakke vleugelstrepen. De Yucatánvireo Vireo magister op Grand Cayman is groter en bruiner, zonder vleugelstrepen. De platsnavelvireo Vireo nanus van Hispaniola heeft een witte iris en witte staarttoppen.

Leefgebied

Struweel en laag droog bos (op de Bahama's coppice genoemd), kuststruweel, randen van mangrove en begroeide tuinen. Zoekt in dichte struiken en lage bomen naar insecten en eet daarnaast bessen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Standvogel op vrijwel alle grotere eilanden van de Bahama's, op de Turks- en Caicoseilanden en op de drie Kaaimaneilanden. Daarnaast op enkele cays voor de noordkust van Cuba, waaronder Cayo Coco en Cayo Paredón Grande, en op Île de la Tortue voor de noordkust van Haïti. Losse meldingen van het vasteland van Hispaniola betreffen vermoedelijk verwarring met andere vireo's. Buiten het Caribisch gebied zijn enkele dwaalgasten in het zuiden van Florida vastgesteld.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op de Bahama's in vrijwel elk stuk struweel, ook rond Nassau en bij hotels; de herhaalde, luide zang is het beste aanknopingspunt. Op de Cubaanse cays is de soort te vinden in het kuststruweel van Cayo Paredón Grande; daar onderscheiden de dikke snavel en de gele bril hem van de Cubaanse vireo.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is algemeen op de meeste eilanden in haar verspreidingsgebied, maar de populaties op kleine eilanden zijn kwetsbaar voor het verdwijnen van struweel door bebouwing.

Wetenschappelijke naam

Vireo crassirostris | (Bryant, 1859)

Bryant beschreef de soort in 1859 als Lanivireo crassirostris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Vireo werd in 1808 ingevoerd door Vieillot. Vireo werd door Latijnse schrijvers gebruikt voor een kleine, groene trekvogel, waarschijnlijk de wielewaal; ook de groenling is voorgesteld. crassirostris is Latijn, van crassus 'dik' en rostrum 'snavel', naar de forse snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit New Providence, Bahama's.