Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Cubaanse zwarte troepiaal

Cubaanse zwarte troepiaal | Ptiloxena atroviolacea

Cuban Blackbird | Totí

De Cubaanse zwarte troepiaal is een van de algemeenste endemen van Cuba en op het eiland bekend als totí. Hij leeft in luidruchtige groepjes in bos, landbouwgebied en dorpen en is vaak een van de eerste vogels die bezoekers te zien krijgen. De soort vormt een eigen geslacht, Ptiloxena.

Cubaanse zwarte troepiaal (Ptiloxena atroviolacea)
Foto: Laura Gooch — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, herhaald en metalig tí-o, waaraan de naam totí ontleend is, en reeksen als tsjok-tsjok-tsjok, lie-lie-lie. Groepjes laten een gevarieerd gekwetter horen.

Luister: ZangXC997770

Opname: FREDERIC Lionel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

25–28 cm, stevig, met een sterke, spitse zwarte snavel, een middellange, recht afgesneden staart en zwarte poten. Het mannetje is geheel zwart met een blauwe en paarse glans op de bovendelen en een groenige glans op de vleugels. Het vrouwtje is gelijk, maar met minder glans. De iris is bij beide seksen donkerbruin. Jonge vogels zijn doffer bruinzwart, zonder glans.

Verwarrings­soorten

De Antilliaanse troepiaal Quiscalus niger, op Cuba chinchilín genoemd, is slanker, heeft een gele iris en een lange, kielvormige staart; de Cubaanse zwarte troepiaal heeft een donker oog en een platte staart. De glanskoevogel Molothrus bonariensis is kleiner, met een korte, kegelvormige snavel. De bruinboegtroepiaal Agelaius humeralis is kleiner en slanker, met een bruingele schoudervlek die vaak alleen in de vlucht te zien is.

Leefgebied

Vrijwel alle beboste landschappen, van droog laaglandbos en kustbos tot halfgroen bos en pijnbos, en daarnaast landbouwgebied, palmsavanne, tuinen, dorpen en stadsranden, van zeeniveau tot ongeveer 950 m. Eet insecten, kleine gewervelden, zaden en vruchten, zowel op de grond als in bomen. Het nest is een kom van plantenvezels, haar en veren, gebouwd door beide ouders.

Verspreiding en trek

Alleen op het hoofdeiland van Cuba en op een aantal cayos aan de noord- en zuidkust. Meldingen van Isla de la Juventud zijn niet met foto's of geluidsopnamen gestaafd. Buiten Cuba komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vrijwel overal op Cuba te vinden, bijvoorbeeld rond Playa Larga en in de Zapata-moerassen, in Viñales en bij boerderijen en hotels. Het donkere oog en de platte staart onderscheiden hem van de chinchilín, waarmee hij vaak samen voorkomt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is talrijk en heeft zich goed aangepast aan landbouwgebied en bebouwing.

Wetenschappelijke naam

Ptiloxena atroviolacea | (d'Orbigny, ACVMD, 1839) (GBIF: Dives atroviolaceus)

D'Orbigny, ACVMD beschreef de soort in 1839 als Quiscalus atroviolaceus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ptiloxena werd in 1892 ingevoerd door Chapman. Ptiloxena is Grieks, van ptilon 'veer' en xenos 'vreemd': 'met vreemde veren'. atroviolacea is Latijn voor 'donkerviolet', van ater 'zwart' en violaceus 'violetkleurig', naar de violette glans. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cuba.