Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Bleke gors
Bleke gors | Spizella pallida
Clay-colored Sparrow | Chimbito pálido
De bleke gors is een kleine, beigebruine gors van de struikprairies in het midden van Noord-Amerika, die in Texas en Mexico overwintert. In het Caribisch gebied is hij een dwaalgast; alleen op de Bahama's wordt hij in de meeste winters in kleine aantallen gezien. Hij is nauw verwant aan de musgors en lijkt in het winterkleed sterk op die soort.
Geluid
De zang bestaat uit twee tot vier vlakke, insectachtige zoemtonen, bzzz bzzz bzzz, maar is in de winter zelden te horen. De roep is een zacht tsip.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
13–15 cm, slank en vrij langstaartig, met een kleine roze snavel met donkere punt. De kruin is bruin met zwarte strepen en een lichte middenstreep. Een brede witachtige wenkbrauwstreep scheidt de kruin van een effen bruine oorvlek, die van boven en onder door donkere lijnen is omlijnd; daaronder liggen een lichte baardstreep en een fijne donkere keelstreep. De teugel is licht. De nek is grijs en vormt een contrasterende band. De bovendelen zijn beigebruin met donkere strepen, de stuit is bruinbeige. De onderdelen zijn ongestreept, met een beige borst en witte buik. De vleugel draagt twee lichte vleugelstrepen. De seksen zijn gelijk; jonge vogels hebben fijne strepen op de borst.
Verwarringssoorten
De musgors Spizella passerina in winterkleed heeft een donkere teugel, waardoor de oogstreep tot aan de snavel doorloopt, een minder scherp omlijnde wang, een minder contrasterende nek en een grijze stuit. De savannahgors Passerculus sandwichensis is gestreept op borst en flanken en kortstaartiger. De sprinkhaangors Ammodramus savannarum heeft een platte kop, een grotere snavel en een korte, spitse staart.
Leefgebied
Droog, open terrein met struiken: struikrijk grasland, doorn- en kuststruweel, bermen en weilanden met heggen. Foerageert op de grond en in lage begroeiing op zaden, vaak met andere gorzen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Op de Bahama's een zeldzame maar vrij regelmatige wintergast, met jaarlijks enkele waarnemingen, onder meer op Andros; elders in het gebied een dwaalgast, met gevallen van Cuba. Broedt in het zuiden van Canada en het noorden en midden van de Verenigde Staten en overwintert in Texas en Mexico.
Hoe en wanneer kijken
Struikrijke ruigtes en bermen op de Bahama's tussen oktober en april, vaak in gezelschap van andere gorzen of grondvinken. Bij een kleine, ongestreepte gors met lichte teugel, omlijnde oorvlek en grijze nek is de bleke gors de eerste kandidaat.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In het Caribisch gebied een schaarse gast zonder vaste aanwezigheid.
Wetenschappelijke naam
Spizella pallida | (Swainson, 1832)
Swainson beschreef de soort in 1832 als Emberiza pallida; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spizella werd in 1831 ingevoerd door Bonaparte. Spizella is een verkleinwoord van het Griekse spiza 'vink': 'vinkje'. pallida is Latijn voor 'bleek', naar het bleke, zandkleurige verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Carlton House, Saskatchewan (Canada).



