Alle soorten › Eendachtigen › Eenden en ganzen › Bahamapijlstaart
Bahamapijlstaart | Anas bahamensis
White-cheeked Pintail | Pato gargantillo
De bahamapijlstaart is de inheemse grondeleend van het Caribisch gebied: bruin, met scherp witte wangen en keel en een rode vlek aan de snavelbasis. Anders dan de meeste eenden in deze gids is hij hier het hele jaar aanwezig en broedt hij op veel eilanden, vooral bij brak en zout water. Op Cuba heet hij pato de Bahamas, op Puerto Rico pato quijada colorada.
Geluid
Overwegend stil. Het mannetje laat een zacht, hoog piepend fluitje horen, vooral bij de balts; het vrouwtje een reeks zachte, afdalende kwaakgeluiden.
Opname: Ignacio Escobar — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
38–50 cm, slank, met een spitse, bleke staart. Het verenkleed is warm bruin met donkere vlekken op borst en flanken; wangen, keel en voorhals zijn helderwit en scherp afgegrensd tegen de bruine kruin. De snavel is blauwgrijs met een rode vlek aan elke kant van de basis. De seksen lijken op elkaar; het vrouwtje is doffer, met een kortere staart en minder rood op de snavel. In de vlucht toont hij een groene spiegel met brede okergele randen.
Verwarringssoorten
Geen andere eend in het gebied combineert witte wangen met een rode snavelbasis. Het vrouwtje van de pijlstaart Anas acuta is groter en grijsbruiner, met een effen grijze snavel en zonder witte wangen. De blauwvleugeltaling Spatula discors heeft bij het mannetje een witte halve maan voor het oog op een blauwgrijze kop, en lichtblauwe voorvleugels.
Leefgebied
Vooral brak en zout water: kustlagunes, zoutpannen, mangrove, getijdenkreken en ondiepe baaien, maar ook zoetwatermeren, vijvers en moerassen, waaronder waterzuiveringsvijvers en rijstvelden. Grondelt in ondiep water op waterplanten, zaden en kleine ongewervelden. Het nest ligt op de grond in dichte begroeiing of onder mangrovewortels, dicht bij het water; op veel eilanden kan in elk seizoen worden gebroed.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Standvogel op de Bahama's en de Turks- en Caicoseilanden, op Cuba, waar hij vrij algemeen broedt, op Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico en de Maagdeneilanden. In de Kleine Antillen plaatselijk, op eilanden met geschikte lagunes en zoutpannen. Ook op de ABC-eilanden; op Trinidad en Tobago, Jamaica en de Kaaimaneilanden schaars. Buiten het gebied langs de kusten van het noorden van Zuid-Amerika en, als andere ondersoort, van Ecuador en Peru tot Chili en van Brazilië tot Argentinië, en op de Galápagoseilanden. Een dwaalgast in Florida, waar ook ontsnapte siervogels opduiken.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoutpannen en ondiepe kustlagunes zijn de beste plaatsen, vaak samen met steltlopers en flamingo's; de witte wangen zijn ook op afstand zichtbaar. Op de Bahama's, Puerto Rico en de ABC-eilanden is hij op veel plaatsen te vinden.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Op veel eilanden is de soort afgenomen door jacht, het verdwijnen en volbouwen van kustlagunes en mangrove, en predatie door ingevoerde mangoesten, ratten en verwilderde katten. Kleine eilandpopulaties zijn kwetsbaar voor droogte en orkanen.
Wetenschappelijke naam
Anas bahamensis | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anas voerde hij in datzelfde werk in. Anas is het Latijnse woord voor 'eend'. bahamensis betekent 'van de Bahama's', waar het beschreven exemplaar vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bahama's.





