Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Antilliaanse nachtzwaluw

Antilliaanse nachtzwaluw | Chordeiles gundlachii

Antillean Nighthawk | Añapero Querequeté

De Antilliaanse nachtzwaluw is de nachtzwaluw van de Grote Antillen en de Bahama's, een zomergast die in april aankomt en na het broedseizoen weer verdwijnt. Waar de vogels de winter doorbrengen, is niet met zekerheid bekend; aangenomen wordt dat ze naar Zuid-Amerika trekken. Op Cuba heet hij querequeté, naar zijn roep. Hij werd vroeger als ondersoort van de Amerikaanse nachtzwaluw Chordeiles minor beschouwd.

Antilliaanse nachtzwaluw (Chordeiles gundlachii)
Foto: JeffreyGammon — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een droog, herhaald pittie-pit-pit of killikadik, vooral in de vlucht te horen, waaraan de lokale namen querequeté en querebebé ontleend zijn. In de baltsvlucht duikt het mannetje omlaag met een ronkend geluid, dunner en zachter dan bij de Amerikaanse nachtzwaluw.

Luister: VluchtroepXC1071606

Opname: Noah Khanti Steinberg — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

20–23 cm, met lange, spitse vleugels en een gevorkte staart. Het verenkleed is grijsbruin, gevlekt met zwart, grijs en wit; er zijn grijze en roodbruine vogels. De onderdelen zijn gebandeerd op een witachtige tot bruingele ondergrond. Over de zwarte handpennen loopt een witte band. Bij een zittende vogel steken de lichte tertials af tegen de rest van de vleugel. Het mannetje heeft een witte keel en een witte band bij het eind van de staart; het vrouwtje heeft een lichtbruine keel, een kleinere vleugelvlek en geen staartband.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse nachtzwaluw Chordeiles minor, die in het voor- en najaar doortrekt, is iets groter en langer gevleugeld, minder bruingeel van onderen en mist de lichte tertials; het verschil in roep is het betrouwbaarste kenmerk. De Cubaanse nachtzwaluw Antrostomus cubanensis en andere bosnachtzwaluwen hebben afgeronde vleugels zonder witte band en jagen niet hoog in de lucht.

Leefgebied

Open terrein: savannes, weilanden, suikerrietvelden, open plekken en kapvlakten in bos, kustvlakten, stranden en vliegvelden, ook dorpen en steden. Jaagt in de schemering en soms overdag op vliegende insecten. Het ei wordt zonder nest op kale grond, op een boomstronk of op een plat grinddak gelegd.

Verspreiding en trek

Broedvogel op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba met Isla de la Juventud, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico en de Maagdeneilanden. Uit de Kleine Antillen zijn waarnemingen bekend, maar door de gelijkenis met de Amerikaanse nachtzwaluw is de status daar onduidelijk. Op Aruba en Curaçao een dwaalgast. Buiten het gebied broedt de soort op de Florida Keys en in het zuiden van Florida.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van mei tot augustus het beste in de avondschemering boven vliegvelden, weilanden en open terrein bij de kust; de vogels roepen veel in de vlucht. Op een warme avond zijn ze ook boven dorpen en steden te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de populatie wordt op ongeveer 200.000 vogels geschat. Op de Florida Keys en in Florida zijn de aantallen afgenomen door het bebouwen van open terrein.

Wetenschappelijke naam

Chordeiles gundlachii | Lawrence, 1856

Lawrence beschreef de soort in 1856 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Chordeiles werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Chordeiles is Grieks, van khoreia 'dans' en deilē 'avond', naar de dansende jachtvluchten in de schemering. gundlachii eert de Duits-Cubaanse natuuronderzoeker Juan (Johannes) Gundlach (1810–1896). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cuba.