Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Zilverplevier
Zilverplevier | Pluvialis squatarola
Black-Bellied Plover | Chorlito gris
De grote, grijze plevier van het wad, die wijd verspreid en solitair over de plaat werkt in plaats van in zwermen. Zijn weemoedige driedelige fluitje hoor je vaak eerder dan je hem ziet.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Een weemoedig, drielettergrepig fluitje met een duidelijke dip in het midden: tlie-oe-ie. Het draagt ver over het wad en verraadt de soort ook in het donker of in dichte mist. Het hele winterhalfjaar te horen, vooral bij opkomend tij als de vogels van de plaat naar de hoogwatervluchtplaats verkassen.
Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · xeno-canto
Herkenning
Zwaargebouwde plevier met een dikke zwarte snavel, een grote kop en een donker oog in een bleek gezicht. In broedkleed zilvergrijs en zwart geschubd boven, met gitzwart gezicht en onderdelen die breed wit omrand zijn en een witte onderstaart. In winterkleed grijs gespikkeld met een lichte wenkbrauw en grijzige borstzijden. In vlucht een brede witte vleugelstreep, een witte stuit en de zwarte okselvlekken die de soort onmiskenbaar maken.
Verwarringssoorten
De goudplevier is kleiner, fijner gesnaveld en goudgeel gespikkeld, mist de witte stuit en de zwarte oksels en heeft een geheel witte ondervleugel. Bij zittende vogels in winterkleed beslissen de zware snavel en de koele, grijze in plaats van gele grondtoon. Kijk desnoods tot de vogel opvliegt: de zwarte okselvlek bedriegt nooit.
Leefgebied
Vrijwel uitsluitend een vogel van het getijdengebied: slikplaten, mosselbanken, brede zandstranden en estuaria. Foerageert solitair en wijd verspreid met de karakteristieke ren-stop-pik van plevieren, en verzamelt zich pas bij hoogwater op kwelders, strandhoofden en zandplaten. Waarnemingen in het binnenland zijn schaars en meestal van korte duur.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt op de arctische toendra van Siberië, Alaska en Canada en dus nergens in Europa. De zuidelijke Noordzeekust is een sleutelgebied: de Waddenzee en de Delta herbergen in de winter grote aantallen. In Iberië overwinteren ze in de ría's van Galicië, de Bahía de Cádiz, de Ebrodelta en Doñana, met doortrek langs vrijwel de hele Atlantische kust.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Kies in september of oktober een hoogwatervluchtplaats aan de Waddenzee en wees er twee uur voor hoogwater, wanneer het opkomende water de vogels naar de rand van de plaat duwt. Ga met de zon in de rug zitten en wacht rustig af. Bij het invallen tonen ze de zwarte oksel: hét moment om zilver- van goudplevier te scheiden.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (IUCN: Vulnerable) sinds de 2024-update van de Rode Lijst, ondanks een populatie die nog altijd talrijk is; de soort is volledig afhankelijk van een keten van intacte wadgebieden langs de trekroute. Inpoldering, havenuitbreiding en verstoring op hoogwatervluchtplaatsen zijn de grootste risico's, terwijl zeespiegelstijging het areaal aan slikplaten kan doen verdwijnen. In het broedgebied verandert de toendra snel door opwarming.
Wetenschappelijke naam
Pluvialis squatarola | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa squatarola; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pluvialis werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Pluvialis is Latijn voor 'van de regen', van pluvia 'regen', naar het oude geloof dat deze plevieren samendromden wanneer er regen op komst was. squatarola is een gelatiniseerde vorm van sgatarola, een Venetiaanse naam voor een soort plevier. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.

