Alle soorten › Zandhoenderachtigen › Zandhoenders › Sahelzandhoen

Sahelzandhoen | Pterocles senegallus

Spotted Sandgrouse | Ganga moteada

Het bleekste zandhoen van de gids en het grootste van de drie woestijnsoorten: een zandkleurige, langgerekte vogel met een oranje gezicht en twee dunne staartpennen. Op de kale vlakte is hij vrijwel onzichtbaar. Je merkt hem meestal pas op als een groep aan komt vliegen naar het water, laag en snel, met een zacht borrelend geroep dat over de hele vlakte draagt.

Sahelzandhoen (Pterocles senegallus)
Hoofdfoto · Foto: Andrezarour31 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

De vluchtroep is een muzikaal, borrelend kwietoe-kwietoe, ook wel geschreven als wittoe-wittoe: twee lettergrepen, de tweede lager, met een fluitende ondertoon. Het klinkt aanmerkelijk weker en ronder dan alles wat de Iberische zandhoenders laten horen. Groepen roepen vooral op de vlucht naar het water en houden dat vrijwel onafgebroken vol; over een vlakte zonder begroeiing draagt de klank honderden meters. Bij het plotseling opvliegen valt een korter, harder kwit te horen.

Luister: RoepXC1100777

Opname: Jerome Fischer — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Groter en slanker dan de andere twee woestijnzandhoenders, met verlengde middelste staartpennen — korter dan bij het witbuikzandhoen, maar op de grond en in vlucht goed te zien als een dun uitsteeksel. Het mannetje is bijna ongetekend zandkleurig: een grijze kruin en nek, een oranjegeel gezicht en keel, een effen grijsroze borst zonder enige band, en een smalle donkere streep die over het midden van de buik naar de staart loopt. Het vrouwtje is over kop, borst en mantel fijn zwart gespikkeld — daaraan dankt de soort haar Engelse naam — en draagt dezelfde donkere buikstreep. In vlucht zijn de handpennen opvallend bleek met een donkere achterrand, en de ondervleugeldekveren zijn zandkleurig, niet wit. Poten kort en bevederd, snavel klein en grijsblauw.

Verwarrings­soorten

Aan het water staat hij vaak naast het kroonzandhoen, en dat is de vergelijking die je moet kunnen maken. Het sahelzandhoen is groter en langer van lijf, heeft twee dunne staartpennen en een effen oranje gezicht zonder tekening; het kroonzandhoen heeft een korte, spitse staart zonder pennen en bij het mannetje een zwarte band die van het voorhoofd tussen de ogen door naar de kin loopt. Kijk daarna naar de onderzijde: hier loopt een smalle donkere streep over het midden van de buik, bij het kroonzandhoen is de buik egaal. Met Lichtensteins zandhoen is verwarring uitgesloten — dat is veel kleiner, korter van staart en over het hele lijf dicht zwart gebandeerd. Tegenover de twee Iberische zandhoenders telt vooral de ondervleugel: die is bij het sahelzandhoen zandkleurig, zodat de vogel van onderen egaal licht oogt, en niet wit met een scherpe zwarte begrenzing. En de roep beslist altijd: een zacht, tweelettergrepig borrelen, geen droog geratel en geen laag gerol.

Leefgebied

Vlakke woestijn met weinig reliëf: zand- en grindvlakten, de randen van duinvelden, uitgestrekte hamada (kale, met grind bedekte rotswoestijn) met verspreide pollen, en brede droge wadibeddingen. Van de drie woestijnzandhoenders verdraagt deze het losste zand; hij zit vaak juist op de overgang van erg (een groot veld van actieve zandduinen) naar reg (vlakke grindwoestijn met een pantser van keien). Het voedsel bestaat uit zaden, lopend van de grond opgepikt, en groepen foerageren ook op stoppels en akkerranden bij de oasen en in het landbouwgebied van de Negev. Water bepaalt de dagindeling: één tot twee uur na zonsopgang komen de groepen aan bij een pool, een veedrinkbak of een put, drinken snel en gaan weer terug. Het mannetje laat daar zijn buikveren volzuigen; dat verenkleed houdt water vast, en hij vliegt het naar de kuikens, die het rechtstreeks uit de veren drinken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Binnen het gidsgebied zijn er twee kernen. In het zuiden van de Levant is de soort standvogel van de Negev en de Arava, met de grootste aantallen in het zuiden. In Noordwest-Afrika broedt hij in de pre-Sahara ten zuiden van de Hoge Atlas en de Anti-Atlas: de Tafilalt bij Rissani en Merzouga, de vlakten rond Zagora en de middenloop van de Draa. Verder oostwaarts en zuidwaarts, buiten de kaart, loopt de verspreiding door de hele Sahara en over Arabië via het Iraans Plateau tot in het noordwesten van het Indisch subcontinent. In Europa hoef je hem niet te verwachten; er zijn slechts losse gevallen bekend van vogels die de Middellandse Zee overstaken.

  • Jaarrond
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga naar het water en wacht. In de Arava en de Negev, en bij de putten en veedrinkplaatsen rond Merzouga en Rissani, komen de groepen aan tussen één en twee uur na zonsopgang — later dan de meeste woestijnvogels, dus haasten hoeft niet. Zit laag, met de zon in de rug, en luister: het borrelende kwietoe is bijna altijd eerder te horen dan de vogels te zien zijn. Zoeken op de vlakte zelf levert weinig op; wie iets ontdekt, ziet meestal alleen een oranje kop boven een pol uitsteken. Een telescoop op een vaste plek werkt beter dan rondrijden.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd — de soort bewoont een enorme woestijngordel van de Atlantische kust van de Sahara tot het Indisch subcontinent — maar aan de noordrand van dat gebied gaat het hard achteruit. In de Negev is de stand sinds de jaren tachtig sterk gekrompen, en uit het Beer Sjeva-dal en de noordwestelijke Negev is de soort vrijwel verdwenen. Genoemde oorzaken zijn het verlies van schone drinkplaatsen, uitbreiding van akkerbouw en kassen, verstoring door militaire oefeningen en begrazing, en meer nestroof door vossen en jakhalzen die van menselijk afval profiteren. Gerichte maatregelen zijn daar tot nu toe niet genomen.

Wetenschappelijke naam

Pterocles senegallus | (Linnaeus, 1771)

Linnaeus beschreef de soort in 1771 als Tetrao senegallus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pterocles werd in 1815 ingevoerd door Temminck. Pterocles is Grieks, van pteron 'vleugel' en -klēs 'befaamd, schitterend'. senegallus is Latijn voor 'van Senegal', naar het land waar de eerst beschreven vogels vandaan kwamen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Algerije.