Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Provençaalse grasmus

Provençaalse grasmus | Curruca undata

Dartford Warbler | Curruca rabilarga

De Provençaalse grasmus is de donkere, langstaartige grasmus van heide en mediterraan struweel: een klein vogeltje met wijnrode onderdelen en een vuurrode oogring, dat met de staart schuin omhoog even boven op een gaspeldoornstruik verschijnt en er meteen weer in wegduikt. Op het Iberisch Schiereiland broedt verreweg het grootste deel van de wereldpopulatie, en daar is de soort ook het sterkst achteruitgegaan; in Noordwest-Europa is hij bovendien de enige grasmus die de winter uitzit, wat hem daar extra kwetsbaar maakt.

Provençaalse grasmus (Curruca undata)
Hoofdfoto · Foto: Vcebollada — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

De zang is een kort, haastig, krassend babbeltje van anderhalve tot twee seconden, hoger en ijler dan dat van de grasmus en met een duidelijk ratelend randje: tsjer-witsjer-tsji-tsjerrie, vaak twee of drie keer achter elkaar met korte pauzes. Hij wordt gegeven vanaf de top van een gaspeldoorn- of cistusstruik, en op voorjaarsochtenden ook in een korte, dansende zangvlucht waarbij de vogel met de staart wijd open een paar meter boven het struweel klimt en zingend weer terugvalt. Kenmerkender nog is de roep: een raspend, uitgerekt tsjeerr, alsof je een reepje stof scheurt, vaak eindeloos herhaald door een verontruste vogel, en daarnaast een kort, hard tuk. Wie de raspende roep kent, vindt de soort veel vaker dan wie op de zang wacht, want buiten het voorjaar zingt hij nauwelijks.

Luister: ZangXC794239

Opname: Benoît Van Hecke — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto

Herkenning

Klein, donker en langgerekt, met een smalle staart die vaak schuin omhoog staat en de vogel een hoekig silhouet geeft. Kop en bovendelen zijn donker leigrijs, de onderdelen wijnrood tot roodbruin, met fijne witte spikkeltjes op de keel die bij een zingend mannetje op korte afstand goed te zien zijn. Oogring en iris zijn rood tot oranjerood, de poten oranjebruin, de snavel donker met een lichte basis. De vleugel is kort en rond en oogt bruiner dan de rug; de staart is zwartachtig met smalle witte punten aan de buitenste pennen. Het vrouwtje is bruiner van boven en veel valer roze-bruin van onderen, jonge vogels zijn grauw en missen het rood bijna helemaal. In vlucht valt vooral de vorm op: een donker vogeltje met een veel te lange staart dat laag en fladderend van struik naar struik gaat.

Verwarrings­soorten

Binnen het lastige trio donkere struweelgrasmussen is de Provençaalse grasmus de enige met echt wijnrode onderdelen; de Sardijnse grasmus is van boven én van onderen gelijkmatig leigrijs zonder enige warme tint, en de Balearengrasmus is het bleekst van de drie, met een witte buik en hooguit een roze waas op de borst. Op beide soortpagina's staat hetzelfde verschil vanaf de andere kant beschreven. In de praktijk beslist de plaats: de Provençaalse grasmus is de vogel van het zuiden van Groot-Brittannië, het vasteland van West- en Zuidwest-Europa tot Toscane, en Noordwest-Afrika, de Sardijnse die van Corsica, Sardinië en de Toscaanse eilandjes, de Balearengrasmus die van Mallorca, Ibiza, Formentera en Cabrera. Alleen in de Noord-Afrikaanse winterkwartieren kunnen ze naast elkaar zitten, en dan moet het van kleur en van de roep komen. De kleine zwartkop, overal in hetzelfde struweel, is forser, heeft een zwarte kap met een scherp afgesneden, zuiver witte keel en een veel luidruchtiger ratel. De baardgrasmus is kleiner, korter van staart en heeft een oranje keel met een witte baardstreep.

Leefgebied

Laag, dicht en doornig struweel op arme, zonnige grond. In het zuiden van Groot-Brittannië en langs de Atlantische kust van het vasteland is dat echte heide: struikhei en gaspeldoorn, het liefst met wat oude, hoge gaspeldoornbulten waarin hij kan schuilen. Verder naar het zuiden neemt het mediterrane struweel het over: cistusvelden, brem- en brembraamhellingen, garrigue (laag, open kalkstruweel met veel aromatische dwergstruiken) met rozemarijn en tijm en lage maquis (hoog, dicht en hardbladig mediterraan struweel op zure bodem), en in Noordwest-Afrika struweel op berghellingen. Hij mijdt bos en hoge bomen, wil struiken tussen een halve en anderhalve meter hoog en verdwijnt zodra de struiklaag te dicht en te hoog wordt of juist wordt weggebrand. Het nest staat laag in hei, gaspeldoorn of cistus.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Zuidwest-Europa en Noordwest-Afrika: van de heidevelden van Dorset, Hampshire en Surrey via de Atlantische kust en het westelijke Middellandse Zeegebied over het hele Iberisch Schiereiland tot Ligurië en Toscane, en aan de overkant in de Maghreb. Op het schiereiland zelf zit hij vooral in Galicië en de Cantabrische kuststrook, het Centraal Systeem, de Montes de Toledo, Extremadura, de Sierra Morena, een groot deel van Andalusië en de Levant, en ontbreekt hij vooral in de landbouwvlakten en het drogere binnenland. Het is een standvogel die hooguit korte afstanden aflegt; het hele areaal ligt binnen het gidsgebied. In het zuiden van Groot-Brittannië, aan de noordrand van dat areaal, bepaalt de winter alles. Verreweg de meeste vogels broeden echter op het Iberisch Schiereiland, waar de soort al sinds de jaren negentig duidelijk afneemt, met een opvallende terugval langs de Cantabrische kust.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Maart en april, in het eerste uur na zonsopgang, op een heideveld met bloeiende gaspeldoorn of in een cistusveld op een zuidhelling. Ga op een hoog punt staan en scan de struiktoppen; hij zingt kort en laat zich telkens maar een paar seconden zien. Loop niet het struweel in maar volg een pad langs de rand en wacht op het raspende alarm — dat verraadt hem ook op stille winterdagen, wanneer hij zwijgt maar wel reageert op wandelaars. Bij harde wind blijft hij hardnekkig binnen de struik en heb je weinig kans; kies liever een windstille, zonnige ochtend.

Staat van instandhouding

Gevoelig, en dat is voor een vogel met zo'n groot areaal opvallend. De reden ligt op het Iberisch Schiereiland, waar het merendeel van de wereldpopulatie broedt en waar de aantallen al decennia dalen: struweel verdwijnt onder bebossing met dennen en eucalyptus, wordt weggebrand of juist opgeruimd voor akkers en weiden, en grote branden vagen in één zomer hele hellingen leeg. Aan de noordrand van het areaal zorgen strenge winters bovendien voor plotselinge instortingen, waarna herstel jaren duurt. Waar oude heide en gevarieerd cistusstruweel blijven staan en niet in één keer worden geklepeld of afgebrand, houdt de soort stand.

Wetenschappelijke naam

Curruca undata | (Boddaert, 1783) (GBIF: Sylvia undata)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Motacilla undata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. undata is Latijn voor 'gegolfd', van unda 'golf'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Provence in Frankrijk.