Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Laplanduil

Laplanduil | Strix nebulosa

Great Grey Owl | Cárabo lapón

Een uil die even lang oogt als een oehoe maar nog geen derde van diens gewicht haalt: het formaat zit vooral in het dichte, wollige verenpak. Hij hoort bij de oude naaldbossen en veenmoerassen van Fennoscandinavië en de taiga verder oostwaarts en jaagt daar op woelmuizen, geregeld ook bij daglicht.

Laplanduil (Strix nebulosa)
Hoofdfoto · Foto: Ron Knight — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Het mannetje roept een diepe, doffe reeks van tien tot twintig noten, hoe-hoe-hoe-hoe-hoe, die naar het einde toe versnelt, in toonhoogte daalt en wegsterft; op stille nachten draagt die reeks een kilometer of twee. Het wijfje antwoordt hoger en heser, en bij het nest klinkt een kort, schor tsjek. Het meest van februari tot april, in de uren rond middernacht en opnieuw in de vroege ochtend.

Luister: ZangXC986000

Opname: Robert Petersen — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto

Herkenning

Enorm ogende, egaal grijze uil zonder oorpluimen, met een reusachtig rond gezicht dat is getekend met fijne concentrische ringen rond twee kleine gele ogen. Onder de bleekgele snavel staat een zwarte kinvlek tussen twee witte vlekken, samen een witte snor of strikje. De onderdelen zijn grijs met vage lengtestrepen; in de vlucht zijn de vleugels lang en breed en de staart lang en gebandeerd, met trage, geruisloze slagen. De vogel oogt zwaar maar weegt zelden meer dan anderhalve kilo; wijfjes zijn groter en tot een derde zwaarder dan mannetjes.

Verwarrings­soorten

Bosuil is veel kleiner en gedrongen, grootkoppig maar met een rond, egaal gezicht zonder ringen, volledig zwarte ogen en zware lengtestrepen; in de vlucht breed en rond gevleugeld met een korte staart en volstrekt geruisloze slagen. Oeraluil zit qua formaat er tussenin en heeft een effen bleek gezicht zonder ringen, donkere ogen en een opvallend lange, wigvormige staart. Oehoe is veel zwaarder, warm okerbruin, met lange oorpluimen en felle oranje ogen. Alleen de laplanduil heeft de concentrische ringen, de zwarte kinvlek met witte snor en kleine gele ogen in een enorm grijs gezicht.

Leefgebied

Oude, open naaldbossen van fijnspar en grove den, doorsneden met hoogveen, aapavenen en natte bosranden. Hij jaagt vanaf een lage uitkijkpost boven kapvlakten, jonge aanplant en veldjes, en luistert woelmuizen onder een halve meter sneeuw uit. Broedt zonder eigen nest op afgebroken boomstronken, in oude roofvogel- en raafnesten en op speciaal opgehangen nestplatforms.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied broedvogel van Fennoscandinavië, de Baltische streek en het noorden van Oost-Europa; het areaal loopt van daar onafgebroken door tot ver in Siberië en over de hele boreale gordel van Noord-Amerika. In winters met weinig woelmuizen zakken vogels in Fennoscandinavië af tot ongeveer de zestigste breedtegraad, en heel af en toe verder.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga in maart of april naar de taiga rond Kuhmo en Kuusamo of in het midden van Scandinavië en rijd in de laatste twee uur voor zonsondergang stapvoets over de bosgrindwegen; de vogels jagen dan van paaltjes en lage takken langs kapvlakten. Kies een jaar waarin de woelmuizen goed zitten, want in slechte muizenjaren broedt vrijwel geen enkel paar en verdwijnen de vogels uit het gebied.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). De Europese aantallen schommelen sterk met de woelmuisstand en kunnen van jaar op jaar vertienvoudigen of instorten, wat trendberekeningen lastig maakt. De grootste bedreiging is het verdwijnen van oud bos met dikke afgebroken stammen en oude roofvogelnesten; nestplatforms in Fennoscandinavië vangen dat deels op. Verder sneuvelen vogels op boswegen en aan hekdraad, en veroorzaakt de belangstelling van fotografen bij dagjagende vogels plaatselijk verstoring.

Wetenschappelijke naam

Strix nebulosa | Forster, 1772

Forster beschreef de soort in 1772 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Strix werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Strix is het Latijnse woord voor 'uil'; in de klassieke overlevering was de strix een nachtvogel die het bloed van zuigelingen zou drinken. nebulosa is Latijn voor 'nevelig, bewolkt', van nebula 'nevel', naar het grijs gewolkte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Severn bij de Hudsonbaai.