Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Kraanvogels › Kraanvogel

Kraanvogel | Grus grus

Common Crane | Grulla común

Het trompetteren van trekkende kraanvogels is in de herfst van ver te horen. Als broedvogel keerde de soort recent terug in Noordwest-Europa, na eeuwen van afwezigheid.

Kraanvogel (Grus grus)
Hoofdfoto · Foto: Andreas Weith — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een ver dragend, metaalachtig getrompetter, kroo-kroo, dat kilometers ver hoorbaar is en meestal eerder wordt gehoord dan de vogels worden gezien. In het broedgebied roepen paren in duet. Boven Noordwest-Europa vooral in oktober en november en opnieuw in februari en maart.

Luister: Trompetroep in vluchtXC594758

Opname: Pálos Lőrinc — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Zeer grote, hoogpotige vogel met leigrijs verenkleed, zwart-witte kop- en halstekening en een kale rode kruinvlek. Kenmerkend is de zwarte pluim van afhangende schouderveren over de staart. Vliegt met gestrekte hals en poten en met krachtige, rustige slagen; jonge vogels zijn bruinig op kop en hals en missen het rode kruintje.

Verwarrings­soorten

Blauwe reiger vliegt met ingetrokken hals en veel tragere slagen; grote zilverreiger is wit. Een groep op afstand kan op ganzen of wilde zwanen lijken, maar kraanvogels hebben langere, dunnere halzen, uitstekende poten en een diep trompetterend geluid in plaats van het hoge gakken van ganzen.

Leefgebied

Broedt in ontoegankelijke natte gebieden: hoogveen, moerasbos en verlandende vennen. Buiten de broedtijd op stoppelvelden, maisakkers, dehesa's (Iberisch parklandschap van oude eiken boven begraasd grasland) en rijstvelden, met slaapplaatsen in ondiep water of op zandbanken, waar de vogels veilig staan voor grondpredatoren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt van Scandinavië en Midden-Europa tot diep in Oost-Europa, met een kleine, groeiende populatie aan de westrand van het areaal, in de Peel en het Fochteloërveen. De westelijke trekbaan loopt via Midden- en West-Europa naar Extremadura, La Serena, Gallocanta en de marismas (getijdenmoerassen van de Guadalquivirmonding, deels verzilt) van de Guadalquivir, de belangrijkste overwinteringsgebieden van het continent, waar de soort massaal overwintert tussen de steeneiken van de dehesa.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kijk in Noordwest-Europa omhoog op heldere, koude dagen in november en eind februari, vooral bij oostenwind, en ga vooral af op het gehoor. In Iberië: eind december bij zonsopgang bij Gallocanta of in een Extremeense dehesa, als de groepen van de slaapplaats naar de eikelvelden trekken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). Door bescherming van broedmoerassen en van rustgebieden langs de trekroute nemen de aantallen toe en breidt de soort zich westwaarts uit. Blijvende risico's zijn verdroging van veengebieden, verstoring bij slaapplaatsen en aanvaringen met hoogspanningsleidingen.

Wetenschappelijke naam

Grus grus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Ardea grus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Grus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Grus is het Latijnse woord voor 'kraanvogel'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.