Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Kortteenleeuwerik

Kortteenleeuwerik | Calandrella brachydactyla

Greater Short-Toed Lark | Terrera común

De leeuwerik van de zuidelijke graanvlaktes en steppen: bleek, kortstaartig en met een zware kegelsnavel, een egaal witte borst en een klein donker vlekje aan de zijkant van de hals. Van Iberië tot Anatolië broeden er miljoenen paren; noordelijker in het gidsgebied, zoals rond de Noordzee, is het een schaarse dwaalgast — meestal één stille vogel boven een kaal duin of een kwelder.

Kortteenleeuwerik (Calandrella brachydactyla)
Foto: Juan Lacruz — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang komt vooral uit een golvende zangvlucht op twintig tot vijftig meter hoogte en bestaat uit korte, telkens herhaalde strofen: tip-ze-tie-zer-li-lu, droog en tamelijk monotoon, maar doorspekt met imitaties van andere vogels — torenvalk, kuifleeuwerik, grauwe gors. Een zangvlucht duurt gewoonlijk drie tot acht minuten, bij uitzondering een half uur. De vluchtroep is een kort, hard, droog tsjirp of drrp, meestal van overvliegende groepjes. Zingt van april tot in juni, vaak al vroeg in de ochtend.

Luister: VluchtroepXC478478

Opname: Milan Ruzic — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto

Herkenning

Kleine, bleke leeuwerik, iets kleiner en korter gestaart dan een veldleeuwerik. Van boven zandkleurig tot grijsbruin en fijn gestreept, bij westelijke vogels vaak met een roestrode kruin. Het beslissende beeld zit op de onderkant: een schone, ongestreepte roomwitte borst met aan weerszijden van de hals een klein donker vlekje, als een dichtgeknoopte kraag. De snavel is kort, dik en kegelvormig, vleeskleurig met een grijze bovenrand. De schouderveren zijn opvallend lang en bedekken de vleugelpunt bijna helemaal, zodat er in rust maar één of twee handpennen uitsteken. De buitenste staartpennen zijn vuilwit, niet zuiver wit, en op de vleugel staan twee vage lichte banden. Loopt snel en laag over kale grond; buiten de broedtijd in dichte zwermen die als één lichaam zwenken.

Verwarrings­soorten

De kleine kortteenleeuwerik is de echte valstrik — zie ook de soortpagina van de kleine kortteenleeuwerik. Die heeft een fijn maar duidelijk gestreepte borst in plaats van een schone, mist het donkere halsvlekje, heeft een kortere en stompere snavel en kortere schouderveren, zodat er drie of meer handpennen uitsteken; de roep is een droog rollend prrrit in plaats van een korte, harde tik. Veldleeuwerik is groter, veel langer gestaart, heeft een kuifje, een witte achterrand aan de vleugel en zuiver witte buitenste staartpennen. Duinpieper is slanker en langpotiger, met een dunne pieperssnavel en een wiegende, wippende loop, en heeft geen halsvlekje.

Leefgebied

Vlak, boom- en struikloos droog land: graanstoppel en braak op de hoogvlaktes van Iberië en Anatolië, droge steppegraslanden, zoutsteppe, kaal erial (braakliggend, extensief begraasd bouwland) en halfwoestijn. Het gaat om lage, ijle begroeiing met veel open grond ertussen — te kaal en de vogel ontbreekt, te dicht en hij is weg. Het nest is een kuiltje in de grond, meestal tegen een pol, een steen of een bultje aan gebouwd en met de opening naar het noorden, zodat het in de schaduw ligt; op harde bodem wordt de rand met kluitjes en steentjes opgehoogd.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Van Iberië en Noordwest-Afrika oostwaarts tot Oost-Azië, met in Europa de zwaartepunten in Iberië, de Provence en Languedoc, het Apennijns schiereiland, de Balkan en vooral Anatolië. De noordelijkste, geïsoleerde broedplekken liggen in het binnenland van West-Europa, ver ten noorden van de Middellandse Zee, en op de zoutsteppe van de oostelijke Pannonische vlakte. Vrijwel alle Europese vogels overwinteren aan de zuidrand van de Sahara, in de overgang van Sahel naar woestijn; Aziatische vogels in het noordwesten van het Indiase subcontinent. Op het Iberisch Schiereiland broedt hij in vrijwel alle graanvlaktes en hoogvlaktes van het binnenland, van Castilië en León en La Mancha tot de Ebrovallei, Extremadura en Andalusië. Op de Britse Eilanden, in de Lage Landen en in Scandinavië is hij een zeldzame maar bijna jaarlijkse doortrekker, in april en mei en opnieuw in oktober en november, met voorjaarsvogels vermoedelijk doorgeschoten zuidelijke broedvogels en najaarsvogels grotendeels Aziatisch.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kans ligt in het zuiden. Rijd in mei op een graanvlakte in Iberië of Anatolië een landweg op, zet de motor uit en luister: de droge, ratelende zangvlucht hangt boven je voordat je de vogel ziet. Loop daarna over stoppelveld of braakland, waar de vogel wegrent in plaats van opvliegt. Wie hem verder naar het noorden wil zien, moet het hebben van duinen, kwelders en kort gras aan de kust in mei of oktober — meestal een vogel die tussen graspiepers op kort, kaal terrein loopt. Controleer dan drie dingen: de schone witte borst, het donkere vlekje op de halszijde en de dikke, korte snavel. In augustus en september loont het de moeite groepen na te lopen die zich voor het vertrek op stoppelvelden verzamelen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): het wereldbestand loopt in de honderden miljoenen en het areaal is enorm. In Europa gaat de soort achteruit. Tussen 1970 en 2000 namen de aantallen in Iberië en in het oosten van Europa sterk af, terwijl ze in Anatolië — met verreweg het grootste bestand — stabiel bleven. De achteruitgang loopt gelijk op met het verdwijnen van braak en stoppel, de omzetting van droge hoogvlaktes in geïrrigeerde teelt en het inzaaien of bebossen van steppe. Aan de noordrand van het Europese areaal is de soort teruggedrongen tot een paar restpopulaties op zeer bijzondere plekken.

Wetenschappelijke naam

Calandrella brachydactyla | (Leisler, 1814)

Leisler beschreef de soort in 1814 als Alauda brachydactila; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calandrella werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Calandrella is een verkleinwoord van het Griekse kalandros, de kalanderleeuwerik, dus zoiets als 'kleine kalanderleeuwerik'. brachydactyla komt van het Griekse brakhus 'kort' en daktulos 'teen', naar de korte tenen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Montpellier in Frankrijk.