Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Kleine zilverreiger

Kleine zilverreiger | Egretta garzetta

Little Egret | Garceta común

De kleine zilverreiger is een van de drie witte reigers: slank, zwartsnavelig en met gele voeten die er als laarsjes onder zitten. Hij jaagt niet wachtend maar rennend, en dat gedrag verraadt hem vaak eerder dan het verenkleed.

Kleine zilverreiger (Egretta garzetta)
Hoofdfoto · Foto: Hobbyfotowiki — CC0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Doorgaans stil buiten de kolonie. Bij verstoring een schor, kwakend aaahk, en in de kolonie een aanhoudend, ruzieachtig gaa-gaa-gaa en knorrende geluiden. Het luidst boven gemengde reigerkolonies in april en mei, en op slaapplaatsen bij het invallen van de schemering.

Luister: VluchtroepXC432219

Opname: Joost van Bruggen — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Slank en langbenig, met een dunne, geheel zwarte, spitse snavel — het hele jaar door, dat is het belangrijkste onderscheid met de grote zilverreiger in winterkleed. Poten zwart, tenen helder geel; op zeer korte afstand zie je in de balts dat de teugels rood aanlopen en de voeten oranjerood worden. In broedkleed twee lange, smalle nekveren en losse borst- en rugsluiers. De hals is korter en gelijkmatiger gebogen dan bij de grote zilverreiger, zonder die scherpe lage knik. In vlucht sneller en losser dan de grote soort, met de voeten als twee gele punten achter de staart.

Verwarrings­soorten

Grote zilverreiger is duidelijk groter, heeft in de winter een gele snavel, altijd zwarte tenen en een lange, scherp geknikte hals; zijn vleugelslag is trager en zwaarder. Koereiger is kleiner en gedrongen, met een korte gele snavel en losse keelhuid, en foerageert in gras bij vee in plaats van in water. Een witte fase van de Westelijke rifreiger, zeldzaam maar wel vastgesteld in Zuid-Europa, heeft een zwaardere, bleker hoornkleurige snavel en dikkere gele poten en oogt logger; die soort is de reden om bij afwijkende individuen goed op snavelkleur en -vorm te letten.

Leefgebied

Ondiep zout, brak en zoet water: slikken en kreken van estuaria, zoutpannen, lagunes, kwelders, maar ook rijstvelden, oevers van sloten en visvijvers. Jaagt actief — rennend, wapperend met de vleugels, met de voet in de bodem trillend om garnalen en visjes op te schrikken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Jaarrond rond de hele Middellandse Zee, van Iberië en Noordwest-Afrika tot Anatolië en de Levant, en langs de Atlantische kust tot in de Lage Landen en op de Britse Eilanden; in Midden- en Oost-Europa zomergast. In het Middellandse Zeegebied algemeen en talrijk, met grote aantallen in Doñana, de marismas (getijdenmoerassen van de Guadalquivirmonding, deels verzilt) van de Guadalquivir, de zoutpannen van Cádiz en San Pedro del Pinatar, de Ebrodelta en de Albufera. In Noordwest-Europa pas sinds de jaren negentig broedvogel en nog steeds schaars, met kleine kolonies in het Deltagebied; buiten de broedtijd verschijnt hij daar in wisselende aantallen langs de kust en in het binnenland, en in zachte winters overwintert hij. Wat in het zuiden een gewone kustvogel is, blijft in het noordwesten schaars.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Loop in Noordwest-Europa in augustus of september bij afgaand tij een getijdenkreek of een inlaag achter de zeedijk af; de vogels jagen dan op garnalen in de slenken en zijn actief in beeld. In het Middellandse Zeegebied zijn de zoutpannen aan het eind van de ochtend het beste: door de lage waterstand staan er tientallen bij elkaar, wat het vergelijken van snavel- en pootkleur met koereigers en grote zilverreigers eenvoudig maakt.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in Europa sterk toegenomen sinds het einde van de verenjacht en het herstel van kustmoerassen. De soort breidt nog altijd noordwaarts uit; strenge winters kunnen de noordelijke voorposten tijdelijk terugzetten. Verlies van getijdengebieden en verzilting of juist verzoeting van lagunes zijn de belangrijkste lokale bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Egretta garzetta | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Ardea garzetta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Egretta werd in 1817 ingevoerd door Forster. Egretta komt van het Provençaalse aigrette, de naam voor de kleine zilverreiger, een verkleinvorm van aigron 'reiger'. garzetta is de Italiaanse naam voor deze reiger. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Oriënt.