Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Europese steenpatrijs

Europese steenpatrijs | Alectoris graeca

Rock Partridge | Perdiz griega

Het hoen van de zonnige, steile alpenweide net boven de boomgrens. De witste keel van de vier, scherp omlijst met zwart, op een blauwgrijze vogel die tegen kalksteen volledig wegvalt. Ondanks zijn Spaanse naam (perdiz griega) broedt hij niet in Iberië maar in de Alpen en de Balkan, waar je hem pas na een paar uur klimmen te zien krijgt.

Europese steenpatrijs (Alectoris graeca)
Foto: FokusNatur — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een onregelmatige reeks korte, keelige, zeer harde noten, vaak met een verslikkende ratel ertussen: tsjek… tsjek-tsjek… tsjerrek, zonder het vaste, versnellende ritme van de Aziatische steenpatrijs. Bij alarm een scherp pitsjie. Het geluid draagt ver over een dal en is vaak de enige aanwijzing dat de soort er zit; hanen roepen van april tot in juni vanaf een rotsblok op een zuidhelling.

Luister: ZangXC1009260

Opname: Frantz Barrault — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Compact hoen met koraalrode snavel, rode oogring en rode poten. Keel en wangen zuiver wit, verder op de bovenborst doorlopend dan bij verwanten, en omsloten door een smalle, gave zwarte band; ook aan de snavelbasis en over het voorhoofd zwart. Kruin, nek en borst blauwgrijs, rug grijsbruin, buik bleek roodgeel. Flanken met brede, ver uit elkaar staande banden van zwart, kastanje en room op wit. In vlucht kort en laag, met roestrode staartzijden.

Verwarrings­soorten

De sleutel ligt in de keeltekening. Bij de Europese steenpatrijs is de keel zuiver wit, loopt hij verder door op de bovenborst en blijft de zwarte omlijsting gaaf en mesjescherp, zonder ook maar één streep eronder; kruin en nek zijn blauwgrijs, de flankbanden breed en ver uit elkaar. De Aziatische steenpatrijs, die deze soort vanaf het oosten van de Balkan opvolgt, heeft een roomkleurige tot geelwitte keel, een gesloten maar iets bredere en rafeliger band, een grijsbruine kruin met wijnrode zweem, een roestbruine oorvlek binnen de zwarte oogstreep en smallere, talrijker flankbanden. Bij de rode patrijs, die in de westelijke Alpen, de Ligurische Apennijnen en de Provence lager op de helling zit en de arealen daar raakt, blijft de zwarte band niet gesloten: hij valt naar onder uiteen in een breed veld van zwarte strepen en druppels, de kruin is warm roodbruin en in de flankbanden zit kastanje. De Barbarijse patrijs heeft in het geheel geen zwarte band, maar een kastanjebruine kraag met witte spikkels om een blauwgrijs gezicht. Het reële veldprobleem zijn de hybriden: door het uitzetten van kweekvogels lopen op het Apennijns schiereiland en in Iberië chukars en kruisingen chukar × rode patrijs vrij rond, en in de zuidelijke Alpen en de Balkan zijn ook wilde steenpatrijzen genetisch vermengd geraakt. Een vogel met een romige keel of een band die maar half in strepen uiteenvalt, laat je onbenoemd.

Leefgebied

Steile, zonnige zuidhellingen op en net boven de boomgrens: korte alpiene graslanden doorsneden met rotsribben, puinhellingen, verlaten bergweiden en dwergstruweel, meestal tussen achthonderd en tweeduizend vijfhonderd meter. In de winter zakt de vogel naar sneeuwvrije zuidflanken en soms tot in de dalweiden. Noordhellingen en dichte, gesloten vegetatie worden gemeden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Zuid-Europees, in drie gescheiden gebieden: de hele Alpenboog, van de Zee-Alpen tot de Julische Alpen, de Apennijnen met een eigen ondersoort op Sicilië, en de Balkan, van de Dinarische Alpen tot de zuidpunt van het schiereiland. In het oosten van de Balkan grenst het areaal aan dat van de Aziatische steenpatrijs. In Iberië ontbreekt de soort volledig, ondanks de Spaanse naam.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Gran Paradiso, de Vanoise of de Dolomieten in juni, of de bergen van de zuidelijke Balkan. Klim bij het eerste licht naar een zuidhelling boven de boomgrens en luister; ga daarna zitten en scan de rotsribben tussen de grasbanen. Loop niet door — steenpatrijzen lopen weg en vliegen pas op als je er bovenop staat.

Staat van instandhouding

Gevoelig, met een afname over vrijwel het hele areaal. In de Alpen speelt vooral het dichtgroeien van bergweiden na het opgeven van de zomerbeweiding, samen met jachtdruk, verstoring door wintersport en strenge, natte voorjaren die legsels doen mislukken. Op het Apennijns schiereiland en op de Balkan komt daar de vermenging bij met uitgezette aziatische steenpatrijzen en kweekvogels.

Wetenschappelijke naam

Alectoris graeca | (Meisner, 1804)

Meisner beschreef de soort in 1804 als Perdix graeca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Alectoris werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Alectoris is Grieks, van alektoris 'hen, erfhoen', bij alektōr 'haan'. graeca is Latijn voor 'Grieks', naar het verspreidingsgebied op de Balkan. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Griekenland.