Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Drieteenstrandloper
Drieteenstrandloper | Calidris alba
Sanderling | Correlimos tridáctilo
Het witste steltlopertje van het strand, dat voor de terugtrekkende golf uit rent en met het schuim mee weer terugkomt. Op een breed Noordzeestrand is het de standaardsoort langs de vloedlijn.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Een kort, hard en vloeiend twik of plit, vaak twee- of drievoudig herhaald bij het opvliegen en veel scherper dan het schrapende geluid van de bonte strandloper. Boven het strand hoor je het jaarrond, het meest in augustus en september, wanneer groepjes langs de vloedlijn heen en weer verkassen.
Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · xeno-canto
Herkenning
Kleine, gedrongen strandloper met een rechte zwarte snavel, zwarte poten en geen achterteen. Het winterkleed is het bleekste van alle steltlopers: lichtgrijze bovendelen, sneeuwwitte onderdelen en een zwarte vlek op de vleugelboeg. In broedkleed zijn kop, borst en bovendelen roestrood met zwarte vlekken, scherp afgezet tegen de witte buik. In vlucht toont hij de breedste en helderste witte vleugelstreep van alle kleine strandlopers.
Verwarringssoorten
In winterkleed is geen strandloper zo bleek: de bonte strandloper is grijzer en donkerder, langer en krommer gesnaveld en heeft een grijs waas over de borst. De zwarte boegvlek en het ontbreken van de achterteen zijn beslissend. In broedkleed kan een roestrode drieteen op een krombekstrandloper lijken, maar die is langpotiger, krommer gesnaveld en rood tot op de buik.
Leefgebied
De vogel van het brede zandstrand bij uitstek, altijd op het natte zand waar de golven uitlopen. Daarnaast gebruikt hij zandplaten, strandhoofden en in kleinere aantallen slikranden en schelpenbanken. Rust bij hoogwater in dichte groepjes op het droge zand of achter de vloedlijn, vaak tegen een strandhoofd aan gedrukt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt op de hoogarctische toendra van Groenland, Spitsbergen, Siberië en arctisch Noord-Amerika; binnen Europa alleen op Spitsbergen. Langs de zuidelijke Noordzeekust is hij een talrijke doortrekker en wintergast, met de grootste aantallen op de Waddeneilanden en de Zeeuwse stranden. Ook Iberische zandstranden, van Galicië tot Andalusië, herbergen in de winter flinke groepen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Loop in september of oktober bij afgaand tij over een breed Noordzeestrand en volg de vloedlijn; de vogels laten je vaak tot op tien meter naderen als je rustig blijft doorlopen. Kijk bij hoogwater ook op afgesloten strandkoppen, waar ze slapen. Let op meelopende bonte strandlopers en krombekken, die het formaatverschil meteen duidelijk maken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd nog talrijk, maar langs de Oost-Atlantische trekroute is de trend dalend. Verstoring van zandstranden door recreatie en loslopende honden kost in de winter kostbare energie, terwijl strandsuppleties en kustverdediging het voedselaanbod veranderen. In het hoogarctische broedgebied bepalen sneeuwsmelt en lemmingcycli het broedsucces, en beide worden onvoorspelbaarder.
Wetenschappelijke naam
Calidris alba | (Pallas, 1764)
Pallas beschreef de soort in 1764 als Trynga alba; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. alba is Latijn voor 'wit', naar het bleke winterkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Noordzeekust.


