Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Drieteenstrandloper

Drieteenstrandloper | Calidris alba

Sanderling | Correlimos tridáctilo

Het witste steltlopertje van het strand, dat voor de terugtrekkende golf uit rent en met het schuim mee weer terugkomt. Op een breed Noordzeestrand is het de standaardsoort langs de vloedlijn.

Drieteenstrandloper (Calidris alba)
Hoofdfoto · Foto: Hans Hillewaert — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een kort, hard en vloeiend twik of plit, vaak twee- of drievoudig herhaald bij het opvliegen en veel scherper dan het schrapende geluid van de bonte strandloper. Boven het strand hoor je het jaarrond, het meest in augustus en september, wanneer groepjes langs de vloedlijn heen en weer verkassen.

Luister: VluchtroepXC938621

Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · xeno-canto

Herkenning

Kleine, gedrongen strandloper met een rechte zwarte snavel, zwarte poten en geen achterteen. Het winterkleed is het bleekste van alle steltlopers: lichtgrijze bovendelen, sneeuwwitte onderdelen en een zwarte vlek op de vleugelboeg. In broedkleed zijn kop, borst en bovendelen roestrood met zwarte vlekken, scherp afgezet tegen de witte buik. In vlucht toont hij de breedste en helderste witte vleugelstreep van alle kleine strandlopers.

Verwarrings­soorten

In winterkleed is geen strandloper zo bleek: de bonte strandloper is grijzer en donkerder, langer en krommer gesnaveld en heeft een grijs waas over de borst. De zwarte boegvlek en het ontbreken van de achterteen zijn beslissend. In broedkleed kan een roestrode drieteen op een krombekstrandloper lijken, maar die is langpotiger, krommer gesnaveld en rood tot op de buik.

Leefgebied

De vogel van het brede zandstrand bij uitstek, altijd op het natte zand waar de golven uitlopen. Daarnaast gebruikt hij zandplaten, strandhoofden en in kleinere aantallen slikranden en schelpenbanken. Rust bij hoogwater in dichte groepjes op het droge zand of achter de vloedlijn, vaak tegen een strandhoofd aan gedrukt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt op de hoogarctische toendra van Groenland, Spitsbergen, Siberië en arctisch Noord-Amerika; binnen Europa alleen op Spitsbergen. Langs de zuidelijke Noordzeekust is hij een talrijke doortrekker en wintergast, met de grootste aantallen op de Waddeneilanden en de Zeeuwse stranden. Ook Iberische zandstranden, van Galicië tot Andalusië, herbergen in de winter flinke groepen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Loop in september of oktober bij afgaand tij over een breed Noordzeestrand en volg de vloedlijn; de vogels laten je vaak tot op tien meter naderen als je rustig blijft doorlopen. Kijk bij hoogwater ook op afgesloten strandkoppen, waar ze slapen. Let op meelopende bonte strandlopers en krombekken, die het formaatverschil meteen duidelijk maken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd nog talrijk, maar langs de Oost-Atlantische trekroute is de trend dalend. Verstoring van zandstranden door recreatie en loslopende honden kost in de winter kostbare energie, terwijl strandsuppleties en kustverdediging het voedselaanbod veranderen. In het hoogarctische broedgebied bepalen sneeuwsmelt en lemmingcycli het broedsucces, en beide worden onvoorspelbaarder.

Wetenschappelijke naam

Calidris alba | (Pallas, 1764)

Pallas beschreef de soort in 1764 als Trynga alba; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. alba is Latijn voor 'wit', naar het bleke winterkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Noordzeekust.