Alle soorten › Zangvogels › Klauwieren › Bruine klauwier
Bruine klauwier | Lanius cristatus
Brown Shrike | Alcaudón pardo
De bruine klauwier broedt in de zuidelijke taiga van Siberië en Oost-Azië en overwintert in Zuid- en Zuidoost-Azië; zijn trekweg voert dus van Europa vandaan. Toch belandt er elke paar jaar een aan de Noordzeekust, vrijwel altijd in het najaar. Het is een gedrongen, warmbruine klauwier met een zware snavel die net als zijn verwanten vanaf een lage uitkijkpost jaagt en zijn prooi op doorns en prikkeldraad spiest.
Geluid
In Europa vrijwel altijd zwijgzaam. In het broedgebied is de gewoonste roep een hard, ratelend tsjek-tsjek-tsjek, droger en hakkeriger dan de alarmroep van de grauwe klauwier. De zang is een zacht, aanhoudend gebabbel doorspekt met imitaties, met gesloten snavel voorgedragen terwijl de staart op en neer wipt; ook in het winterkwartier laat hij die op zonnige dagen horen.
Opname: Jayakrishnan U — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Een compacte klauwier, ongeveer zo groot als een grauwe klauwier maar zwaarder gebouwd en langer van staart. De bovenzijde is egaal warm bruin, het roodbruinst op kruin en nek; een breed zwart masker loopt door het oog tot over de oorstreek en wordt aan de bovenrand begrensd door een brede, zuiver witte wenkbrauwstreep. De onderzijde is roomwit met warm okerbruine flanken. De staart is lang, duidelijk afgerond en dof bruin met een warme zweem — zonder wit, en zonder het roestrode van de beide andere oosterse klauwieren. Twee bouwkenmerken verraden hem ook als de kleuren tegenvallen: de snavel is dik en diep, negentien tot eenentwintig millimeter lang en zwaar gehaakt, en de handpenprojectie is opvallend kort — op de gesloten vleugel steken meestal maar vier pentoppen voorbij de tertials, tegen zeven of acht bij de grauwe klauwier. Vrouwtjes hebben een dofbruin in plaats van zwart masker, een vuilwitte wenkbrauw en fijne, halvemaanvormige golfstreping op borst en flanken. Eerstejaars vogels zijn boven fijn gebandeerd en houden hun bleek omzoomde tertials tot in het voorjaar.
Verwarringssoorten
Alle drie de oosterse klauwieren die in Europa opduiken lijken in eerste aanleg op een jonge grauwe klauwier, en een deel van de vogels is in het veld eerlijk gezegd niet met zekerheid op naam te brengen. Begin bij de staart. De grauwe klauwier heeft een zwart-witte staart; de daurische en de Turkestaanse klauwier hebben een helder roestrode staart die bij het opvliegen oplicht tegen een bleke rug; de bruine klauwier heeft een dof bruine staart, warm van tint maar nooit roestrood. Kijk daarna naar de vleugel: van deze vier heeft de bruine klauwier veruit de kortste hand, met meestal vier zichtbare pentoppen, wat hem een gedrongen, langstaartig silhouet geeft; zijn snavel is bovendien duidelijk dieper en langer. Van de Daurische klauwier verschilt hij door het warme bruin tegenover diens bleke zandkleur, van de Turkestaanse doordat die een roodbruine kruin heeft die afsteekt tegen een grijzere mantel en een breder zwart masker dat tot boven de snavelbasis doorloopt. Bij vrouwtjes en jonge vogels helpt de tekening op de flanken: fijne, gelijkmatige golflijntjes op een witte grond, veel fijner dan de grove halvemaantjes van een vrouwtje grauwe klauwier. Twee waarschuwingen horen erbij. De daurische en de Turkestaanse klauwier werden tot in deze eeuw als één soort behandeld, de izabelklauwier; van oudere gevallen is vaak niet meer vast te stellen welke van beide het was. En binnen deze groep komen hybriden voor, vooral tussen de Turkestaanse en de grauwe klauwier; die zijn te herkennen aan een staart waarin roodbruin en donkere tekening door elkaar lopen. Een vogel die niet aan alle kenmerken voldoet, laat je beter open.
Leefgebied
Broedt in halfopen bos aan de zuidrand van de taiga en in het bosgrasland daarachter: kapvlakten, brandplekken en open plekken in lariks- en berkenbos, bosranden met een dichte struiklaag, en wilgen- en struikgordels langs rivieren. Het beeld is overal hetzelfde — een lage struik of dode tak om vanaf te jagen, met kale of kortbegroeide grond eronder. In het winterkwartier zit hij in tuinen, bosranden en akkerranden, waar dezelfde vogel jaar na jaar naar hetzelfde plekje terugkeert.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van de Altai en Zuid-Siberië oostwaarts tot Sachalin en de rest van Noordoost-Azië; de winter brengt hij door van het Indisch subcontinent tot Indochina, de Filippijnen en de Grote Soenda-eilanden. In het gidsgebied is hij een echte dwaalgast: uit het Midden-Oosten zijn maar enkele tientallen waarnemingen bekend. In Noordwest-Europa is hij sinds het eerste geval op Shetland in 1985 tientallen keren vastgesteld, vooral op de Britse Eilanden en langs de Noordzeekust, met een duidelijk zwaartepunt van eind september tot begin november. Vogels blijven geregeld lang hangen en overwinteren soms, van de Noordzeekust tot in de Ebrodelta en Galicië.
Hoe en wanneer kijken
Half september tot eind november, aan de kust en op eilanden langs de Noordzee en de Atlantische kust, het liefst na een reeks dagen met oostenwind. Zoek een vogel die laag en rechtop op een struiktop, hek of prikkeldraad zit en telkens naar de grond duikt; klauwieren blijven vaak dagenlang op hetzelfde stukje ruigte hangen. Maak foto's van opzij en van achteren: de kleur van de staart, het aantal zichtbare pentoppen en de fijnheid van de flanktekening zijn op een beeld beter te beoordelen dan door de kijker, en juist daar draait de determinatie om. Verscheidene vogels bleven maanden.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en over het hele areaal nog talrijk, maar met een dalende trend. Voor Europa is dit geen soort met een beschermingsstatus maar een zeldzame gast. Tot halverwege de jaren tachtig werd hij er vrijwel nooit gezien; sindsdien is het aantal gevallen gestaag toegenomen, deels doordat waarnemers scherper zijn gaan letten op de verschillen binnen deze groep en oude beelden opnieuw zijn beoordeeld.
Wetenschappelijke naam
Lanius cristatus | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Lanius voerde hij in datzelfde werk in. Lanius is Latijn voor 'slager', naar de gewoonte van klauwieren om prooien op doorns en prikkeldraad te spietsen. cristatus is Latijn voor 'gekuifd', hier in ruimere zin dan het woord doet vermoeden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bengalen.



