Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Baltimoretroepiaal
Baltimoretroepiaal | Icterus galbula
Baltimore Oriole | Turpial de Baltimore
Het volwassen mannetje is oranje met een zwarte kap, maar zo ziet de vogel er in Europa zelden uit. Bijna elke baltimoretroepiaal die in het gidsgebied wordt gevonden is een vrouwtje of een eerstejaars vogel: dofgeel tot oranjegeel, met bruine vleugels en twee witte vleugelstrepen. Ze komen in september en oktober aan land, meestal in een tuin of een boomgroep vlak achter de kust, en een enkele zit de winter uit bij een voedertafel.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
De zang is een korte reeks volle, fluitende tonen, twee tot acht noten met duidelijke pauzes ertussen, warm van klank en steeds in een net iets ander motief; hij zingt niet in de herfst en je zult hem in Europa vrijwel nooit horen. Wat je wél hoort is de roep: een droge, ratelende tjek-ek-ek-ek, afgevuurd vanuit dekking en hard voor een vogel van dit formaat, en daarnaast een helder, tweelettergrepig hjoe-li dat aan een fluitende mens doet denken. Een dwaalgast in een tuin verraadt zich meestal met die ratel.
Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto
Herkenning
Een forse zangvogel ter grootte van een spreeuw, met een opvallend lange, recht toelopende snavel die aan de basis breed is en in een fijne punt eindigt; er zit geen haak aan en de bovensnavel is kaarsrecht. De snavel is blauwgrijs met een donkere nok, de poten zijn blauwgrijs. Op de vogel die je in Europa voor je krijgt is de kop geel tot warm oranjegeel, met vaak een vage donkere waas over kruin en teugel; keel en borst zijn oranjegeel, de buik bleker en de flanken vuilwit. De bovendelen zijn olijfbruin met donkere veercentra, zodat de rug licht gevlekt oogt. De vleugel is donker met twee witte strepen, waarvan de bovenste breed en opvallend is. De staart is geelbruin met donkerder middenpennen. Volwassen mannetjes, die in Europa zelden verschijnen, zijn onmiskenbaar: diep oranje onderdelen, een geheel zwarte kop, zwarte rug, zwarte vleugel met een wit veld en oranje staarthoeken.
Verwarringssoorten
Voor de Europese waarnemer is de wielewaal de eerste gedachte, en die is met een paar kenmerken uit te sluiten: hij is duidelijk groter en zwaarder, heeft een dikke roodbruine snavel bij het volwassen mannetje, mist de witte vleugelstrepen volledig en is bij vrouwtje en jonge vogel groengeel met fijne streping over de hele onderkant. De baltimoretroepiaal heeft daarentegen een egale, ongestreepte oranjegele onderkant en een dunne grijze priem van een snavel. Een tweede valkuil is een uitzonderlijk oranje geverfde wielewaal of een ontsnapte kooivogel: verschillende Amerikaanse en Midden-Amerikaanse troepialen worden gehouden, en die zijn doorgaans forser, feller getekend en dragen vaak een gesloten ring. Let daarom altijd op de poot en op sleet in staart en vleugelpunten. Ten slotte de spreeuw, die op afstand hetzelfde postuur en dezelfde spitse snavel heeft, maar donker en gespikkeld is en met een heel andere, waggelende pas over de grond loopt.
Leefgebied
Hier is het een vogel van tuinen, boomgaarden en de esdoorns en iepen langs een dorpsweg; bij aankomst zit hij vaak in een dichte heg of een klimopbegroeide muur, later hangt hij tussen de appels of aan een voedertafel. De overwinteraars leven van vetbollen, appelhelften en suikerwater, en dat is meer dan eens de reden geweest dat een vogel maanden bleef. In eigen gebied gaat het om open loofbos, houtwallen, boomgaarden en de hoge bomen van straten en parken — nooit gesloten bos, altijd kronen met ruimte eromheen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt in het oosten en midden van Noord-Amerika, en overwintert in Midden-Amerika en het noorden van Zuid-Amerika. Binnen het gidsgebied is hij een dwaalgast, met de meeste gevallen op de Britse Eilanden — vooral op de Scilly-eilanden en in Devon — en een klein aantal verspreid over de rest van Noordwest-Europa en de Azoren. Het zwaartepunt ligt in de tweede helft van september en in oktober; een enkele vogel duikt in de winter op en blijft dan soms maandenlang trouw aan één tuin met voedertafels, tot in het voorjaar.
Hoe en wanneer kijken
Dit is geen soort die je vindt door te zoeken; hij komt bij mensen in de tuin terecht. Kijk in de tweede helft van oktober kritisch naar elke onbekende geeloranje vogel bij een voedertafel of in een boomgaard, en laat de snavel beslissen: lang, recht, blauwgrijs en spits, zonder haak. Fotografeer kop, vleugelstrepen, snavel en vooral de poot, want de beoordelingscommissie wil weten of er een ring om zit. Blijft de vogel hangen, meld hem dan meteen en spreek de bewoners aan voordat er honderd mensen op het trottoir staan; de overwinteraars zijn juist doordat ze zo trouw aan één tuin blijven door duizenden mensen gezien.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), met een populatie van enkele miljoenen, al lopen de aantallen in delen van het broedgebied langzaam terug sinds de iepen uit de straten verdwenen. Voor het gidsgebied is de vraag niet bescherming maar herkomst. Het najaarspatroon en de aankomst na een snelle depressie over de Atlantische Oceaan passen bij vogels op eigen kracht, en dat is ook hoe de meeste gevallen worden beoordeeld. Twee andere routes blijven meewegen: troepialen zijn meer dan eens aan boord van schepen aangetroffen en zijn dan een deel van de oversteek meegevaren, en verwante soorten worden als kooivogel gehouden, zodat een vogel met een gesloten ring of een verdacht gave staart met argwaan wordt bekeken.
Wetenschappelijke naam
Icterus galbula | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als C[oracias] galbula; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Icterus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Icterus komt van het Griekse ikteros, een gele vogel — doorgaans opgevat als de wielewaal — waarvan de aanblik geelzucht zou genezen. galbula is de Latijnse naam voor een gele vogel, opnieuw waarschijnlijk de wielewaal. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Virginia.



