Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Zwartkeelgors

Zwartkeelgors | Amphispiza bilineata

Black-throated Sparrow | Chingolo gorjinegro

De zwartkeelgors is de gors van de woestijnen van het zuidwesten: grijs van kop, met twee scherpe witte strepen in het gezicht en een zwarte, driehoekige keelvlek. Hij houdt van open, stenige grond met verspreide struiken en komt van Oost-Oregon tot Centraal-Mexico voor.

Zwartkeelgors (Amphispiza bilineata)
Foto: Keenanhye — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang heeft twee delen: eerst twee of drie heldere, hoge inleidende notities, dan een droge buzz die overgaat in een ratelende triller, ongeveer tsjie-tsjie-zzzrrrr-tritritri. Het geheel duurt nog geen twee seconden en wordt vanaf de top van een creosootstruik of een rotsblok gebracht. De roep is een hoog, ijl tink, vaak in korte reeksen als een groepje foeragerend door het struweel schuift; bij verstoring klinkt een scherper tsjip.

Luister: ZangXC1151104

Opname: Pat Goltz — CC BY-NC-SA 4.0 · Tucson, Pima County, Arizona, United States · xeno-canto

Herkenning

De kop is effen grijs met een witte wenkbrauwstreep en een tweede witte streep onder de donkere oorstreek; daartussen loopt de zwarte keelvlek in een punt uit op de bovenborst. De bovendelen zijn bruingrijs en ongestreept, de onderdelen wit tot roomkleurig. De staart is donker met witte hoeken, vooral zichtbaar bij het opvliegen. De snavel is kort en kegelvormig, met een blauwgrijze ondersnavel. Jonge vogels missen de zwarte keel en hebben fijne streping op borst en rug, waardoor ze een paar weken lang op een andere soort lijken.

Verwarrings­soorten

De nevadagors en de Bells gors delen het grijze koppatroon, maar hebben een donkere borstvlek in plaats van een zwarte keel, een witte oogring en een enkele witte snorstreep; ze zitten bovendien meestal in hoger, dichter sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland)-struweel. De zwartkingors heeft een roze snavel, een effen grijze kop en bij het mannetje zwart tot op het voorhoofd, zonder witte gezichtsstrepen. Let bij jonge zwartkeelgorzen op de ongestreepte grijze nek en de witte staarthoeken, en op het gezelschap van de ouders.

Leefgebied

Open woestijn en halfwoestijn met verspreide struiken van één tot drie meter hoog: creosoot, ocotillo, cholla, mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes) en yucca. Ook stenige canyonwanden, droge wadi's en de onderste zoom van pinyon (laaggroeiende den van de droge zuidwestelijke bergvoeten)-jeneverbesbos, plaatselijk tot ruim 2000 meter. Kale zandvlakten zonder struiken mijdt hij, dichte begroeiing eveneens. Buiten de broedtijd foerageert hij in kleine groepjes op de grond, dicht bij dekking.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het areaal loopt van het zuidoosten van Oregon, het zuidwesten van Idaho en, plaatselijk en in kleine aantallen, het oosten van Washington zuidwaarts door het Grote Bekken en de Mojave- en Sonorawoestijn tot in Centraal-Mexico. In het noorden is hij trekvogel: die vogels verlaten Nevada, Utah, Colorado en Oregon in september en overwinteren in Arizona, New Mexico, West-Texas en Noord-Mexico. Van Zuid-Californië en Zuid-Arizona tot Hidalgo en Jalisco blijft hij het hele jaar. Op de eilanden in de Golf van Californië en in Neder-Californië leven eigen ondersoorten. Dwaalgasten bereikten Brits-Columbia, Saskatchewan, Florida en New Jersey.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in april en mei langs een woestijnweg vlak na zonsopgang, als de mannetjes vanaf struiktoppen zingen; midden op de dag zakt hij in de schaduw weg en is hij vrijwel onzichtbaar. De witte staarthoeken bij het wegvliegen zijn vaak het eerste wat je ziet.

Staat van instandhouding

De IUCN beschouwt de soort als niet bedreigd (LC). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 51 miljoen vogels en rekent de soort niet tot de zorgsoorten, maar de trektellingen laten tussen 1970 en 2014 een afname van 42 procent zien. Aanhoudende droogte, verstedelijking van de laaggelegen woestijn en de uitbreiding van cheatgrass (ingevoerd eenjarig gras dat de alsemsteppe verdringt) na branden verkleinen het struweel dat hij nodig heeft; plaatselijk legt de bruinkopkoevogel eieren in zijn nest.

Wetenschappelijke naam

Amphispiza bilineata | (Cassin, 1850)

John Cassin beschreef de soort in 1850 als Emberiza bilineata, naar een exemplaar van de Rio Grande in Texas; omdat ze later in een ander geslacht kwam, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Bilineata is Latijn voor 'tweestrepig', naar de twee witte strepen in het gezicht. Het geslacht Amphispiza werd in 1874 ingevoerd door Elliott Coues, uit het Griekse amphi 'aan beide zijden' en spiza 'vink'; Coues bedoelde er een geslacht mee dat tussen twee bestaande groepen in stond. De Nederlandse en de Engelse naam noemen allebei de zwarte keel.