Alle soorten › Zangvogels › Zijdevliegenvangers › Zwarte zijdevliegenvanger

Zwarte zijdevliegenvanger | Phainopepla nitens

Phainopepla | Capulinero negro

Een slanke, zwarte vogel met een dunne rechtopstaande kuif en een rood oog, die roerloos op de top van een struik in een woestijnbedding zit en bij het wegvliegen twee grote witte vlekken in de vleugel laat zien. Hij hoort bij het droge zuidwesten zoals de maretak bij de mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes): waar de een groeit, zit de ander. Het vrouwtje heeft hetzelfde silhouet, maar dan geheel muisgrijs.

Zwarte zijdevliegenvanger (Phainopepla nitens)
Foto: Mike's Birds — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het gewone contactgeluid is een kort, omhoog buigend wurp dat vogels in een bedding voortdurend naar elkaar laten horen en dat meestal eerder wordt opgemerkt dan de vogel zelf. De zang is zacht en onsamenhangend, een reeks korte gorgelende en fluitende zinnetjes met stiltes ertussen, en is vooral in het vroege voorjaar te horen. Het aantal nabootsingen is groot: van deze soort zijn imitaties van een twaalftal andere vogels vastgesteld, waaronder de roodstaartbuizerd en de gouden grondspecht, en die klinken vooral wanneer er onraad is. Wie op honderd meter een schreeuwende roofvogel hoort en niets ziet, doet er goed aan de struiktoppen af te zoeken.

Luister: ZangXC1078194

Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · San Bernardino National Wildlife Refuge, Cochise County, Arizona, United States · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje is geheel glanzend zwart, met bij vol licht een blauwe of groene weerschijn; het vrouwtje en de jonge vogels zijn effen leigrijs, met lichtere zomen op de vleugelveren. Beide dragen een dunne, iets naar achteren gebogen kuif en een dieprood oog, dat bij het grijze vrouwtje meer opvalt dan bij het zwarte mannetje. De staart is lang en smal en het lichaam slank; in rust geeft dat een andere indruk dan de gedrongen bouw van de meeste zwarte vogels. Pas in vlucht toont het mannetje het kenmerk waaraan hij op afstand te herkennen is: een groot wit veld in de handpennen, dat bij het vrouwtje flets grijs blijft. De vlucht is licht en golvend, met veel korte uitvallen naar vliegende insecten.

Verwarrings­soorten

De spotlijster is even grijs en heeft ook wit in de vleugel, maar mist de kuif, heeft witte buitenste staartpennen, een geel oog en een langere, iets gebogen snavel. De Amerikaanse klapekster draagt een zwart masker over een grijze kop en heeft een zware haaksnavel, en zit op draden in open land in plaats van boven op een struik. De cederpestvogel heeft ook een kuif en eet ook bessen, maar is warm beige met een gele staartpunt en een zwart masker. Een zwarte vogel met kuif en rood oog in een woestijnbedding is in dit gebied geen andere soort.

Leefgebied

Laaglandwoestijn met beddingen waarin mesquite, acacia, palo verde en ijzerhout groeien — de bomen waarop de woestijnmaretak zit — en daarnaast open eikenland, chaparral (dicht, hardbladig struweel van het Californische mediterrane klimaat), jeneverbesstruweel en boomgroepen langs droge geulen. In Californië gebruikt hij ook tuinen, parken en boomrijke stadsranden, waar peperbomen en bokdoorn hem voedsel geven. Boven ongeveer achttienhonderd meter ontbreekt hij, en gesloten bos en kaal open zand worden gemeden. Wat een terrein geschikt maakt is niet de plantensoort, maar of er bessen aan hangen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het areaal loopt van Midden-Californië en Zuid-Utah door Arizona, Nevada, New Mexico en West-Texas tot in de beide Neder-Californiës en op het Mexicaanse plateau. Zijn verplaatsingen zijn nog niet helemaal begrepen: in februari en maart wordt in de woestijn gebroed, waarna een deel van de vogels in mei naar eikenbos en beekbegeleidend bos trekt en daar een tweede maal broedt. In het noorden van het areaal is hij daardoor 's zomers grotendeels weg en in de winter juist aanwezig; in het zuiden is het andersom. Dwaalgasten zijn tot in Canada gezien.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Ga in de winter of het vroege voorjaar naar een woestijnbedding waar de mesquite dikke bollen maretak draagt, en zoek de hoogste kale takken af: een zwarte vogel die daar rechtop en onbeweeglijk zit, is er een. Blijf staan en wacht op de uitval naar een insect — dan verschijnen de witte vleugelvlakken. Kom je in dezelfde bedding een grijze vogel tegen, dan is dat vrijwel zeker het vrouwtje van hetzelfde paar.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt geschat op ruim drie miljoen vogels en de soort geldt als niet bedreigd (LC). Tussen 1970 en 2016 nam het aantal met ongeveer acht procent af. De grootste bedreiging is het verdwijnen van beekbegeleidend bos en mesquitebos in de woestijn, dat wordt gerooid voor akkerbouw en woningbouw; met de bomen verdwijnt de maretak, en daarmee het wintervoedsel.

Wetenschappelijke naam

Phainopepla nitens | (Swainson, 1838)

Swainson beschreef de soort in 1838 als Ptilogonys nitens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phainopepla werd in 1858 ingevoerd door Baird en is gevormd uit het Griekse phainein 'schitteren' en peplos 'gewaad': het glanzende kleed van het mannetje. De soortnaam nitens is Latijn voor 'glanzend' en zegt dus tweemaal hetzelfde. Als typelocatie geeft de beschrijving eenvoudig Mexico.