Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Zuidzeewulp
Zuidzeewulp | Numenius tahitiensis
Bristle-thighed Curlew | Zarapito del Pacífico
De zuidzeewulp broedt op twee kleine stukken heuveltoendra in westelijk Alaska en nergens anders ter wereld, en verdwijnt daarna in één vlucht over de Grote Oceaan naar de koraaleilanden van de tropen. Hij is de enige steltloper die stenen gebruikt om eieren van zeevogels open te slaan, en de enige die tijdens de rui op zijn overwinteringseilanden een tijd niet kan vliegen. Zijn broedplaats bleef zo lang onbekend dat de eerste nesten pas in 1948 werden gevonden, ruim anderhalve eeuw nadat de soort een naam had gekregen.
Geluid
De roep is een luid, helder en klagend gefloten tsjie-wiet van twee lettergrepen, waarvan de tweede omlaag glijdt — meer een plevierenfluit dan een wulpenroep, en het beste kenmerk om hem uit een troep wulpen te halen. Boven de broedtoendra brengt het mannetje in een trage baltsvlucht een lange, aanzwellende en weer wegebbende rollende zang voort. Op de atollen draagt zijn fluittoon over het hele rif en is hij meestal eerder te horen dan te zien. Bij verstoring klinkt een scherp, herhaald kwiek. Anders dan de Amerikaanse regenwulp mist hij de gelijkmatige, rammelende reeks van korte tonen op één toonhoogte.
Opname: AUDEVARD Aurélien — CC BY-NC-SA 4.0 · Tuamotus Islands, The Tuamotu and Gambier Islands, France · xeno-canto
Herkenning
Een grote steltloper met een lange, naar beneden gebogen snavel die eerder een knik dan een gelijkmatige boog vertoont; de snavelbasis loopt van zwart tot vleeskleurig roze. De kop is gestreept, met een donkerbruine kruin waar een bleke middenstreep doorheen loopt en een donkere oogstreep onder een bleke wenkbrauw. De bovenzijde is bruin met grove, warm geelbruine vlekken die de vogel een gespikkeld voorkomen geven, de hals en borst zijn fijn gestreept, en de buik is egaal geelbruin, vrijwel zonder tekening op de flanken. Beslissend is de stuit en de staart: die zijn helder kaneelkleurig en steken duidelijk af tegen de rug. Van heel dichtbij zijn op de dijen lange, stijve, haarachtige veren te zien, die de vogel zijn Engelse naam hebben gegeven. Man en vrouw zien er hetzelfde uit; het vrouwtje heeft de langere snavel.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse regenwulp is even groot en heeft dezelfde gestreepte kop, maar is koeler grijsbruin, fijner en regelmatiger getekend, gestreept tot op de flanken, en zijn stuit is bruin als de rug in plaats van kaneelkleurig. In West-Alaska staan beide soorten in augustus door elkaar; kijk dan naar de wegvliegende vogel, want de kaneelkleurige stuit is op afstand het enige zekere kenmerk. De Amerikaanse wulp is aanmerkelijk groter, heeft een veel langere snavel en een egale, ongestreepte kop. Ook de roep beslist: een helder tweelettergrepig fluitje tegenover een gelijkmatige rammelende reeks.
Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit
Leefgebied
Broedt op golvend, hooggelegen toendraland van dwergstruiken, korstmos en zeggen, op heuvelruggen boven de natte vlakten. Vóór het vertrek verzamelt hij zich op de kwelders, zeggemoerassen en slikplaten van de kust van westelijk Alaska, waar hij zich volvreet aan kraaiheidebessen tot hij bijna het dubbele weegt. De winter brengt hij door op koraaleilanden: rifplaten, zandstranden en de grazige en struikige binnenkant van lage atollen. Zoet water en bos gebruikt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het hele broedareaal beslaat twee kleine gebieden in westelijk Alaska: het noorden van het Seward-schiereiland en de heuvels ten oosten van de delta van de Yukon. Van daar vliegt hij in de nazomer non-stop ruim vierduizend kilometer over open zee naar de noordwestelijke Hawaïaanse eilanden, en verder naar Micronesië, Fiji en heel Polynesië; dat overwinteringsgebied ligt op Hawaï na buiten dit gidsgebied en staat dus niet op de kaart. Jonge vogels blijven de eerste jaren op de eilanden en keren pas als volwassen vogel naar Alaska terug. Waar hij in Noord-Amerika buiten Alaska en Hawaï opduikt, gaat het om losse dwaalgasten en niet om een vast doortrekgebied.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De reële kans ligt in de laatste week van mei en de eerste helft van juni op de toendraheuvels bij Nome of in de delta van de Yukon en de Kuskokwim; boek een gids, want de broedplaatsen liggen ver van elke weg. Loop elke troep wulpen langs en let op een warmere, sterker gevlekte vogel met een lichte buik, en wacht tot hij opvliegt: de kaneelkleurige stuit is het bewijs. Op Hawaï is hij in de winter te vinden op Kauaʻi en op de golfbanen en graslanden bij de kust. Zijn heldere tweetonige fluitje verraadt hem vaak eerder dan het oog.
Staat van instandhouding
De soort geldt als gevoelig (NT) en de wereldpopulatie telt naar schatting minder dan tienduizend vogels, verdeeld over een piepklein broedareaal. Het grootste gevaar ligt in de winter: volwassen vogels vernieuwen op de atollen al hun slagpennen tegelijk en kunnen dan een tijd niet vliegen, waardoor uitgezette katten, ratten en honden ze eenvoudig kunnen pakken. Daarbij komt de aantasting van de lage eilanden zelf, door bebouwing, ingevoerde planten en de stijgende zeespiegel. Op de broedgronden is er ruimte genoeg, maar het areaal is zo klein dat één misoogst aan bessen of één slecht seizoen zwaar doortelt.
Wetenschappelijke naam
Numenius tahitiensis | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Scolopax tahitiensis, bij de snippen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Hij ging daarbij af op Lathams beschrijving van een 'Otaheite Curlew' van Tahiti in de Genootschapseilanden, en die typelocatie leverde de soortnaam op: tahitiensis betekent 'van Tahiti'. De vogel is dus genoemd naar zijn overwinteringsgebied, want waar hij broedde was toen niet bekend en werd pas in 1948 in Alaska gevonden. Het geslacht Numenius werd in 1760 ingevoerd door Brisson en gaat terug op Grieks noumenios, 'van de nieuwe maan', naar de sikkelvorm van de snavel.



