Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Witkeelgors
Witkeelgors | Zonotrichia albicollis
White-throated Sparrow | Chingolo gorjiblanco
De witkeelgors is aan de scherp begrensde witte keelvlek en de gele vlek voor het oog van elke andere gors van Noord-Amerika te scheiden. De soort komt in twee vaste kleurvormen voor, een wit-gestreepte en een geelbruin-gestreepte, die vrijwel altijd met elkaar paren in plaats van met soortgenoten van de eigen vorm.
Geluid
De zang is een reeks heldere fluittonen: twee aangehouden begintonen gevolgd door drie trillende groepen van drie noten, in Canada weergegeven als oh sweet Canada Canada Canada. Sinds de jaren negentig verspreidt zich vanuit Brits-Columbia oostwaarts een variant waarin de slotgroepen uit twee in plaats van drie noten bestaan; die variant heeft in twintig jaar het grootste deel van het continent bereikt. De roep is een hard, metalig tsjink en in de vlucht een dun, langgerekt tsiet. De zang klinkt ook midden in de winter en 's nachts.
Opname: Ray Cooke — CC BY-NC-SA 4.0 · Dromore, Prince Edward Island, Canada · xeno-canto
Herkenning
Een forse, langstaartige gors met een ongestreepte grijze borst, een bruin gestreepte rug en twee smalle witte vleugelstrepen. De keel is helder wit en scherp afgegrensd tegen de grijze borst; voor het oog zit een gele vlek op de teugel. De wit-gestreepte vorm heeft een zwarte kruin met een witte middenstreep en een witte wenkbrauwstreep; de geelbruin-gestreepte vorm heeft dezelfde tekening in donkerbruin en beige en een minder scherp afgetekende keel. Beide vormen komen bij beide geslachten voor en zijn het hele jaar herkenbaar. De snavel is grijs, de poten zijn vleeskleurig.
Verwarringssoorten
De witkruingors heeft dezelfde zwart-witte kopstreping maar geen witte keelvlek, geen geel op de teugel, en een oranjeroze tot gele snavel. Jonge witkruingorzen hebben een bruin-beige gestreepte kop en lijken op de geelbruine vorm van de witkeelgors: let dan op het ontbreken van de scherpe keelbegrenzing en op de snavelkleur. De zwartkruingors is groter, heeft een zwarte keel en kruin en een roze snavel. De toendragors heeft een egaal roestbruine kruin en een donkere vlek midden op de borst.
Leefgebied
Broedt in naald- en loofbos tot aan de boomgrens, met een sterke voorkeur voor open plekken, bosranden, kapvlakten en verbrande terreinen met een dichte, lage struiklaag, en voor de randen van veen en muskeg (drassig veenmoeras met sparren, kenmerkend voor het boreale Canada). Het nest ligt op de grond onder een struik. In de winter zit hij in verruigde akkers, houtwallen, struweel, bosranden, parken en tuinen, en komt dan geregeld onder voedertafels; hij blijft daarbij dicht bij dekking.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied beslaat het boreale bos van Yukon en Noordoost-Brits-Columbia oostwaarts door de prairieprovincies, Ontario, Quebec en Newfoundland, en zuidwaarts tot Minnesota, Wisconsin, Michigan, Noord-New York en Nieuw-Engeland. De overwintering ligt vrijwel geheel in het oosten en zuiden van de Verenigde Staten, van Zuid-Nieuw-Engeland en de Ohiovallei tot Texas, de Golfkust en Florida. Aan de westkust overwinteren elke winter kleine aantallen in Californië, Oregon en Washington. In Noord-Mexico bereiken enkele vogels Coahuila, Nuevo León en Tamaulipas; dat voorkomen is slecht gedocumenteerd.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In de winter verraadt hij zich vaak eerst met een enkele, aarzelende fluittoon uit een houtwal — een halve zang die na een paar seconden afbreekt. Kijk bij een groep onder een voedertafel welke kleurvormen erbij zitten: in een winterse groep zijn meestal beide vormen aanwezig, en het onderscheid is met de kijker zonder meer te maken.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 160 miljoen vogels en de soort geldt als niet bedreigd (LC). De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat over het geheel van het areaal sinds 1966 een afname van ongeveer 33 procent zien, en binnen de Verenigde Staten een afname van 69 procent; het zwaartepunt van de populatie ligt echter in Canada. De soort behoort tot de vogels die het vaakst dood onder verlichte gebouwen worden gevonden: in één Chicagoos onderzoek ging het over de looptijd om duizenden exemplaren. Kap van jong bos en het dichtgroeien van open plekken beperken het broedhabitat plaatselijk.
Wetenschappelijke naam
Zonotrichia albicollis | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Fringilla albicollis, op grond van de afbeelding die Edwards in 1760 als 'the white-throated Sparrow' publiceerde; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Zonotrichia werd in 1832 ingevoerd door William Swainson, naar het Griekse zōnē 'gordel, band' en trikhos 'haar', naar de gebandeerde kop. De soortnaam albicollis is Latijn voor 'withalzig', van albus 'wit' en collum 'hals'. De Nederlandse, Engelse en Spaanse namen noemen alle drie diezelfde witte keel. De typelocatie is Pennsylvania.





