Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Violetkruinkolibrie

Violetkruinkolibrie | Ramosomyia violiceps

Violet-crowned Hummingbird | Colibrí corona violeta

De violetkruinkolibrie is de enige kolibrie van de Verenigde Staten zonder gekleurde keelvlek: hij is van kin tot staartwortel zuiver wit, met een violetblauwe kruin en een lange rode snavel. Mannetje en vrouwtje zien er vrijwel hetzelfde uit, en in Amerika is hij een nieuwkomer — het eerste nest werd er pas in 1959 gevonden.

Violetkruinkolibrie (Ramosomyia violiceps)
Foto: Bettina Arrigoni — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks van vier tot zes hoge, ijle, dalende tsiew-noten, gebracht vanaf een open tak in de top van een plataan. De roepen zijn een droge tsjap, een hard stik dat soms in snel tempo herhaald wordt, een hoog wiep en een schel ziek. Bij ruzies om een voederfles of een bloemenveld is het stik het meest te horen. Van de vleugels komt alleen het gewone gonzen; hij kent geen luide mechanische duikvlucht zoals de bergkolibries van het geslacht Selasphorus.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Bronsgroen tot grijsgroen boven, met een koperbronzen staart, en van onderen onbevlekt wit, wat bij een kolibrie in Noord-Amerika uniek is. De kruin is glanzend violetblauw, maar dat is een interferentiekleur uit de veerstructuur: valt het licht niet goed in, dan oogt de pet gewoon donker blauwzwart en lijkt de vogel alleen maar wit met een rode snavel. Die snavel is lang, recht en helder oranjerood met een zwarte punt. Vrouwtjes zijn nauwelijks van mannetjes te onderscheiden en hooguit iets doffer; jonge vogels hebben een minder felle kruin, soms met een kaneelkleurige zweem. Met ruim vijf gram is dit een van de grootste kolibries ten noorden van de Mexicaanse grens, slank van bouw, met vleugelpunten die zittend tot aan de staartpunt reiken.

Verwarrings­soorten

Geen andere kolibrie van de Verenigde Staten combineert witte onderdelen met een lange rode snavel, zodat een goede waarneming zelden twijfel laat. De witoorsaffierkolibrie heeft een brede witte oorstreep op een zwart gezicht en groen gespikkelde onderdelen, en een kortere snavel. Het vrouwtje van de breedsnavelkolibrie is grijs in plaats van wit van onder en heeft een dunne witte streep achter het oog. Vrouwtjes van de zwartkinkolibrie en Costa's kolibrie zijn eveneens lichtbuikig, maar veel kleiner en met een geheel donkere snavel.

Leefgebied

Oeverbossen in canyons, met hoge Arizona-platanen en populieren langs permanent water, en het struikgewas eronder. Daarnaast foerageert hij in aangrenzend droog bos, doornstruweel, weiden, boomgaarden en in tuinen en parken, en hoger op de helling in den-eiken-jeneverbesbos. In de Verenigde Staten is hij vrijwel volledig gebonden aan de weinige canyons met oude platanen; verdwijnt de plataangalerij, dan verdwijnt hij mee.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel over vrijwel heel westelijk Mexico, van Sonora en Chihuahua zuidwaarts tot Guerrero en Oaxaca. In de Verenigde Staten beperkt tot een handvol canyons in zuidoost Arizona en het uiterste zuidwesten van New Mexico, waar hij vooral van april tot september aanwezig is, maar waar tegenwoordig ook 's winters geregeld vogels bij voederflessen blijven. Ten noorden van de grens is hij pas sinds het midden van de twintigste eeuw vastgesteld en zijn areaal en aantallen nemen daar geleidelijk toe.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Het dorp Patagonia in Arizona, aan Sonoita Creek, is de klassieke plek: kijk in de kruinen van de hoge platanen en bij de voederflessen in de tuinen. Bij een gedeelde nectarbron is hij de baas — grotere kolibries verjagen kleinere, en deze soort staat bovenaan die rangorde, dus let op welke vogel blijft zitten als de rest wegvliegt. Bij tegenlicht verraadt de lange rode snavel hem nog voordat er van de kruin iets te zien is.

Staat van instandhouding

De populatie wordt geschat op ongeveer twee miljoen volwassen vogels en is stabiel; de soort geldt als niet bedreigd (LC) en er zijn geen directe bedreigingen vastgesteld. Het kleine Amerikaanse deel van de populatie hangt wel af van canyons met oude platanen en stromend water, die gevoelig zijn voor grondwateronttrekking. De aanwezigheid van voederflessen heeft het aantal overwinteraars in zuidoost Arizona vergroot.

Wetenschappelijke naam

Ramosomyia violiceps | (Gould, 1859)

Gould beschreef de soort in 1859 als Cyanomyia violiceps; omdat ze sindsdien van geslacht is verwisseld, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ramosomyia werd pas in 2021 ingevoerd, toen het grote geslacht Amazilia in verschillende geslachten werd opgesplitst. violiceps is Latijn en betekent 'violetkoppig', van viola 'viooltje' en -ceps 'van kop'. De typelocatie is Atlixco in de Mexicaanse staat Puebla.