Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Gierzwaluwen › Vaux' gierzwaluw
Vaux' gierzwaluw | Chaetura vauxi
Vaux's Swift | Vencejo de Vaux
Vaux' gierzwaluw is de kleinste gierzwaluw van Noord-Amerika, een donker sigaartje met korte, ronde vleugels dat de dag vrijwel volledig in de lucht doorbrengt en 's avonds bij honderden of duizenden tegelijk in een enkele holle boom of schoorsteen neerstrijkt. Noordelijke vogels broeden in het oude naaldbos van de Stille kust en trekken in de herfst helemaal weg naar Mexico en Midden-Amerika; zuidelijker, van Chiapas tot Nicaragua, blijft de soort het hele jaar op dezelfde plek.
Geluid
Het geluid is een mengeling van tjilpende, ratelende en piepende tonen, veelzijdiger dan bij de meeste andere Amerikaanse gierzwaluwen. Rond een gezamenlijke slaapplaats, vlak voor het invallen van de duisternis, klinkt uit honderden kelen tegelijk een aanhoudend gekwetter terwijl de vogels in steeds engere spiralen om de schoorsteen of holle boom cirkelen. Bij het nest is vooral het zachte gepiep van de jongen te horen.
Opname: Elias Aristides Elias — CC BY-NC-SA 4.0 · Arcata, Humboldt County, California, United States · xeno-canto
Herkenning
Een klein, sigaarvormig vogeltje met korte, halfronde vleugels en een korte, stompe staart waarvan de stekelige punten als steun tegen de wand van een holte dienen. Kop, rug en vleugels zijn donker roetbruin, terwijl keel, stuit en onderstaart lichter grijsbruin zijn; noordelijke vogels hebben een lichtere, bijna witte keel. De vlucht bestaat uit snelle, trillende vleugelslagen afgewisseld met korte glijmomenten, en het silhouet blijft, anders dan bij een zwaluw, altijd star en recht.
Verwarringssoorten
De schoorsteengierzwaluw van het oosten is iets groter, met relatief langere vleugels en staart, een trager wiekslag en een grotere neiging om te glijden; de twee komen alleen op doortrek in het Midwesten samen voor. De zwarte gierzwaluw is aanzienlijk groter en egaal donker, zonder de lichte keel; de bonte gierzwaluw heeft scherp wit op borst en buik, dat Vaux' gierzwaluw volledig mist. Van kolibries, waarmee de vogel qua formaat weleens wordt vergeleken, onderscheidt hij zich meteen door de rechte, snelle vlucht en het ontbreken van elke felle kleur.
Leefgebied
Ouder, gesloten naaldbos en gemengd bos met grove, dode of holle bomen om in te nestelen en te overnachten, van laagland tot in de middelgebergtes van de westkust. Er wordt gejaagd boven bosopeningen, kapvlaktes, verbrande gebieden en rivieroevers waar veel vliegende insecten voorkomen; schoorstenen worden vooral gebruikt waar holle bomen schaars zijn. Zuidelijker, in Mexico en Midden-Amerika, gaat de soort ook tropisch loof- en bergbos in.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van het zuidoosten van Alaska door Brits-Columbia tot Washington, Oregon en het noorden van Californië. De hele noordelijke populatie trekt weg naar Mexico en Midden-Amerika; over het precieze overwinteringsgebied is weinig bekend. Los daarvan is de soort van Chiapas tot Nicaragua het hele jaar aanwezig, als deel van een reeks ondersoorten die van Mexico tot in Zuid-Amerika reikt en niet trekt.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in de zomer bij valavond een oude fabrieksschoorsteen of een bosrand in het Amerikaanse noordwesten op en let op kleine, sigaarvormige silhouetten die in trillende vlucht insecten vangen; bij een gezamenlijke slaapplaats verzamelen zich in de nazomer soms duizenden vogels, die in een draaikolk de schoorsteen induiken vlak voor het donker wordt.
Staat van instandhouding
Tussen 1968 en 2015 is de populatie met ongeveer 1,8 procent per jaar afgenomen, in totaal zo'n 58 procent, vooral door de kap van oud naaldbos met voldoende holle bomen en door een afname van vliegende insecten. De soort staat mede daarom op de Amerikaanse Watch List van zorgwekkende vogels, ook al is de wereldwijde status nog niet bedreigd (LC).
Wetenschappelijke naam
Chaetura vauxi | (Townsend, 1839)
Townsend beschreef de soort in 1839 als Cypcelus Vauxi, tijdens zijn verblijf bij Fort Vancouver aan de Columbia River, waar hij als arts en verzamelaar had deelgenomen aan Wyeths tweede expeditie naar de Grote Oceaan; sindsdien is de soort naar een ander geslacht verhuisd, vandaar de haakjes om auteur en jaartal. Stephens voerde het geslacht Chaetura in 1826 in, gevormd uit het Griekse khaitē, 'haar', en oura, 'staart', naar de stekelige, haarachtige punten van de staartveren. Het epitheton vauxi eert William Sansom Vaux, een vriend van Townsend in Philadelphia. De typelocatie is de Columbia River, gelijkgesteld met Fort Vancouver in de staat Washington.



