Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Tuintroepiaal

Tuintroepiaal | Icterus spurius

Orchard Oriole | Turpial castaño

De tuintroepiaal is de kleinste troepiaal van Noord-Amerika en de enige waarvan het mannetje kastanjebruin is in plaats van oranje of geel. Hij broedt in verspreid staande loofbomen langs rivieren, in erven en boomgaarden in het oosten en midden van de Verenigde Staten, en vertrekt al in juli weer naar de tropen.

Tuintroepiaal (Icterus spurius)
Foto: Cephas — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een snelle, doorlopende reeks heldere fluittonen met een springerige frasering, doorschoten met harde, ratelende notities; een strofe duurt drie tot vier seconden en wordt zelden twee keer hetzelfde herhaald. Mannetjes zingen vooral om een vrouwtje te trekken en veel minder om een territorium te verdedigen, zodat de zang na de paarvorming snel afneemt. De roep is een zacht tsjoek, vaak gevolgd door een korte ratel; vrouwtjes en uitgevlogen jongen gebruiken een eenvoudig, kort fluitje.

Luister: ZangXC956455

Opname: Étienne Leroy — CC BY-NC-SA 4.0 · La Barra, Santa María Colotepec, Oaxaca, Mexico · xeno-canto

Herkenning

Een slanke zangvogel ter grootte van een mus, met een spitse, licht gebogen snavel en een vrij korte staart. Het volwassen mannetje is zwart op kop, rug, keel, vleugels en staart, en donker kastanjebruin op borst, buik, stuit en schouderveld. Het vrouwtje is olijfgroen van boven en geelgroen van onderen, met twee witte vleugelstrepen en zonder zwart. Het mannetje van een jaar oud lijkt op het vrouwtje maar heeft een zwarte keelvlek en zwarte teugels; in dat kleed broedt hij al. De vogel foerageert in het bladerdek en hangt daarbij regelmatig ondersteboven.

Verwarrings­soorten

Het kastanjebruin van het volwassen mannetje sluit verwarring met alle andere troepialen uit; op afstand of bij slecht licht lijkt hij echter donker en dan telt de kleinere, slankere bouw. Bij vrouwtjes en eerstejaars zijn de verschillen kleiner: die van de baltimoretroepiaal en de Bullocks troepiaal zijn groter, oranjer of okerkleuriger op borst en staart, terwijl de tuintroepiaal egaler geelgroen is, met een groenere rug en een kortere staart. Een eerstejaars mannetje met zwarte keelvlek kan met een maskertroepiaal verward worden, maar die is langer van staart, heeft een langere, duidelijker gebogen snavel en komt vrijwel alleen in het zuidwesten voor. De harde ratelnotities midden in de zang zijn een goed kenmerk.

Leefgebied

Open loofbos en boomgroepen met veel randlengte: rivierbegeleidend bos, oevers van meren en moerassen, houtwallen, erven, parken, boomgaarden en boerderijtuinen met verspreide iepen, esdoorns, wilgen en eiken. Gesloten bos mijdt hij. Het nest is een ondiep hangend mandje van gras, in zes dagen door het vrouwtje gevlochten en aan een dunne tak opgehangen; kolonieachtige concentraties van meerdere paren in één boomgroep komen voor. In het overwinteringsgebied verblijft hij in bosranden, schaduwplantages en licht beboomd terrein.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel van het oosten en midden van Noord-Amerika, van Zuid-Manitoba en Zuid-Ontario tot de Golfkust en Noord-Florida, westwaarts tot de oostrand van de Great Plains, en verder in Noordoost-Mexico tot Zuid-Tamaulipas en Veracruz. Het is een uitgesproken langeafstandstrekker met een kort verblijf in het noorden: veel vogels arriveren pas in mei en trekken al in juli weer weg, zodat de soort in augustus grotendeels verdwenen is. Hij overwintert van Centraal-Sinaloa en Zuid-Veracruz zuidwaarts door Midden-Amerika tot Noord-Colombia en Noordwest-Venezuela, vaak in groepen bij bloeiende bomen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in mei en juni in een rij oude bomen langs een rivier of aan de rand van een dorp, en luister naar de snelle, met ratelnotities doorschoten zang. Wacht niet tot de nazomer: in veel staten zijn eind juli al bijna alle tuintroepialen vertrokken. Een eerstejaars mannetje dat zingt met een zwarte keelvlek in een verder groengeel kleed is geen aparte soort.

Staat van instandhouding

De soort is nog algemeen en staat als niet bedreigd (LC) te boek, met een geschatte broedpopulatie van ongeveer twaalf miljoen vogels, maar de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat sinds 1966 een afname van ruwweg 46 procent zien. Het verlies van rivierbegeleidend bos en houtwallen, het opruimen van oude erfbomen en het rooien van boomgaarden verkleinen het broedgebied; daarnaast legt de bruinkopkoevogel geregeld eieren in het nest. Het laten staan van bomenrijen langs beken en van verspreide bomen in het landschap houdt het broedgebied in stand.

Wetenschappelijke naam

Icterus spurius | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Oriolus spurius; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Icterus komt van het Griekse ikteros, 'geelzucht' en ook de naam van een gele vogel; in de oudheid werd gezegd dat het zien van die vogel geelzucht genas. De soortnaam spurius is Latijn voor 'onecht' of 'vals', en verwijst naar de oorspronkelijke vergissing waarbij het mannetje voor een vrouwtje van de baltimoretroepiaal werd aangezien. De typelocatie werd in 1931 beperkt tot South Carolina.