Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Roodstaartbuizerd
Roodstaartbuizerd | Buteo jamaicensis
Red-tailed Hawk | Busardo colirrojo
De roodstaartbuizerd is de roofvogel die op vrijwel elke paal, boomtak of lantaarnpaal langs Noord-Amerikaanse snelwegen zit uit te kijken naar prooi, en de doordringende, dalende schreeuw waarmee films en series al decennia lang elke roofvogel op het scherm — arend of niet — van geluid voorzien. Weinig roofvogels op het continent zijn zo algemeen, zo aanpasbaar en zo verschillend van kleur: van bijna wit tot vrijwel zwart komt binnen één soort voor.
Geluid
De bekende roep is een schor, slepend en dalend kjieeeerr, meestal gegeven tijdens het zweven boven het territorium of bij een verstoring nabij het nest. Jonge vogels bedelen met een hoger, aanhoudender gepiep. Het geluid is zo herkenbaar geworden dat het in films en op televisie standaard over beelden van adelaars en andere roofvogels wordt gemonteerd, ook als die zelf een andere roep hebben.
Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · Salinas, Monterey County, California, United States · xeno-canto
Herkenning
Een grote, gedrongen buizerd met brede, ronde vleugels en een korte, brede staart. Volwassen vogels van de gewone, lichte kleedvorm hebben een bakstenen rode staart, een lichte borst met een donkere buikband en een donkere voorrand aan de onderkant van de vleugel. De soort kent echter sterk uiteenlopende kleedvormen: de bijna zwarte 'harlan's hawk' van Alaska en het noordwesten van Canada mist het rood in de staart vrijwel geheel, en de lichte 'krider's hawk' van de noordelijke prairies heeft een bleke, roze getinte staart en een bijna witte kop. Jonge vogels van alle vormen hebben een bruin gebande in plaats van rode staart.
Verwarringssoorten
De roodschouderbuizerd is kleiner, met een zwart-wit gebande staart, roodbruine schouders en een lichte halvemaanvormige vlek bij de vleugelpunten die in tegenlicht doorschijnt; zijn roep is een gelijkmatiger kie-jur. De ruigpootbuizerd, een wintergast, heeft bevederde poten tot aan de tenen en zweeft vaker biddend stil in de lucht. In het westen wordt de soort ook verward met de prairiebuizerd, die smallere vleugels en een donkere borstband heeft en in grote groepen trekt, en met de rosse ruigpootbuizerd, die groter is, lichter van kleur en roestkleurige poten heeft die tot een duidelijke V samenkomen.
Leefgebied
Vrijwel elk open landschap met verspreide uitkijkposten: akkerland, weiland, woestijn, prairie, bosranden en stedelijke parken, zolang er bomen, palen of gebouwen zijn om vanaf te jagen en open terrein om prooi te vinden. Gesloten, aaneengesloten bos zonder open plekken en de boomloze hoge poolgebieden mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van het centrum van Alaska en het noorden van Canada tot in Florida, de Caraïben en Midden-Amerika, en is over het grootste deel van dat areaal ten minste gedeeltelijk standvogel. Vogels uit het hoge noorden van Canada en Alaska trekken in de winter vrijwel volledig weg, terwijl vogels langs de westkust en in Nova Scotia jaarrond blijven. In de winter neemt het aantal in de meeste staten toe doordat noordelijke vogels zich bij de blijvers voegen. Het is een van de meest algemene en wijdst verspreide roofvogels van het continent.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek langs elke snelweg of op elk open stuk land naar een roofvogel die rechtop op een paal, lantaarnpaal of kale boomtak zit, met de kop wat ingetrokken tussen de schouders — de klassieke zithouding van de soort. In de vlucht vangt de roodbruine staart tegen het licht vaak het eerst het oog, van onderen doorschijnend rood.
Staat van instandhouding
Een van de talrijkste en meest wijdverbreide roofvogels van Noord-Amerika, niet bedreigd (LC), met een grote en stabiele tot toenemende populatie. De soort heeft geprofiteerd van de aanleg van wegen en open landbouwgrond met uitkijkposten; vergiftiging door rodenticiden en aanrijdingen langs snelwegen blijven de belangrijkste risico's.
Wetenschappelijke naam
Buteo jamaicensis | (Gmelin, 1788)
Gmelin beschreef de soort in 1788 als Falco jamaicensis, in het geslacht van de valken; omdat ze sindsdien in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Buteo werd in 1799 ingevoerd door de Lacépède. jamaicensis betekent 'van Jamaica', naar het eiland waar het eerst beschreven exemplaar vandaan kwam — de soort broedt daar wel, maar het grootste deel van het areaal ligt op het Noord-Amerikaanse vasteland.




