Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Roestruglijster

Roestruglijster | Turdus rufopalliatus

Rufous-backed Robin | Zorzal dorsirrufo

De roestruglijster is de lijster van de westelijke Mexicaanse laaglanden: grijs op kop en buik, met een roestbruine mantel en oranjebruine flanken. Hij is standvogel in Mexico en bereikt de Verenigde Staten alleen als winterse zwerver in de grensstaten, waar hij zich meestal bij vruchtdragende struiken in tuinen en langs beekbossen ophoudt.

Roestruglijster (Turdus rufopalliatus)
Foto: Pablo Lèautaud — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een bedaard, rijk gekweel van korte, ronde motieven, waarvan de vogel er twee of drie achtereen herhaalt voordat hij overgaat op het volgende; de opbouw lijkt op die van de roodborstlijster, maar de tonen zijn voller en de pauzes langer. Daarnaast klinkt een langgerekte, klagende fluittoon die op en neer buigt, en bij verstoring een droog klokkend tjoek-tjoek en een ijl, hoog siiih. Gezongen wordt vooral bij het invallen van het regenseizoen.

Luister: ZangXC906446

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · Guadalupe Hidalgo, San Lorenzo Cacaotepec, Oaxaca, Mexico · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote lijster met een lange staart. De kop is grijs met zwarte teugels en een gele oogring, de mantel en de vleugeldekveren zijn dof kastanjebruin, en dat roestbruin loopt door in de borst en de flanken; de keel is wit met donkere streepjes, de buik wit. De snavel is geel, de poten vleeskleurig. Het vrouwtje is doffer dan het mannetje; jonge vogels hebben lichte spikkels op de bovendelen en donkere vlekken op de onderdelen. In vlucht valt het contrast op tussen de roestbruine rug en de grijze staart.

Verwarrings­soorten

De roodborstlijster heeft een egaal grijze rug zonder roestbruin, witte staarthoeken en een donkere kop met een gebroken oogring; het onderscheid blijft ook in de winter duidelijk, want bij de roestruglijster lopen mantel en flanken in dezelfde roestkleur door. Grays lijster is over het hele lichaam vaal geelbruin zonder enig roestbruin en heeft een bleke, groengele snavel. De witkeellijster heeft een witte keelvlek, een grijze rug en een smalle oranje oogring. De vogels van de Tres Marías-eilanden, tegenwoordig vaak als aparte soort gevoerd, zijn bleker en grijzer op de flanken.

Leefgebied

Droge tot half-vochtige gebieden van het tropische en subtropische laagland tot ongeveer 2500 meter: loofbos dat in het droge seizoen kaal staat, doornbos, galerijbos langs beken, plantages, tuinen en dorpsranden. Het zwaartepunt ligt in halfopen terrein met vruchtdragende bomen; gesloten, permanent groen regenwoud mijdt hij. In steden als Guadalajara en Mexico-Stad broedt hij in parken en tuinen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Endemisch in Mexico, langs de Grote Oceaanhelling van Sonora zuidwaarts tot Oaxaca, en binnendoor in het Balsasbekken tot Puebla en Morelos; in de twintigste eeuw breidde hij zijn areaal oostwaarts uit tot in de Vallei van Mexico, waar hij nu een gewone stadsvogel is. Op de Tres Marías-eilanden zit een eigen vorm. De soort trekt niet, maar zwerft buiten de broedtijd. In de Verenigde Staten is hij een onregelmatige gast van oktober tot april: Zuidoost-Arizona met de meeste gevallen, verder Zuid-Californië, Zuid-Centraal New Mexico en West-Texas.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

In de grensstaten loont het om in de winter de vruchtdragende struiken af te zoeken die ook trekkende lijsters aantrekken: peperboom, mistletoe en netelboom in beekbossen en tuinen. De vogel foerageert vaak in de schaduw op de grond en vliegt bij verstoring laag weg — dan is het contrast tussen de roestbruine rug en de grijze staart het eerste wat opvalt.

Staat van instandhouding

De IUCN rekent de soort tot niet bedreigd (LC); de populatie wordt op minstens 500.000 volwassen vogels geschat en de trend geldt als stabiel, zonder aanwijsbare bedreigingen. De soort profiteert van tuinen, boomgaarden en beplante stadsdelen en heeft zijn areaal daardoor uitgebreid. In Mexico wordt hij plaatselijk als kooivogel gevangen, maar in een omvang die de aantallen niet aantoonbaar drukt.

Wetenschappelijke naam

Turdus rufopalliatus | de Lafresnaye, 1840

Frédéric de Lafresnaye beschreef de soort in 1840 als Turdus rufo-palliatus. De typelocatie werd aanvankelijk als Monterey in Californië opgegeven; Bangs en Penard corrigeerden dat in 1919 naar Acapulco in Mexico. Turdus is Latijn voor lijster; rufopalliatus is samengesteld uit rufus 'roodbruin' en palliatus 'gemanteld', van pallium 'mantel' — dus 'met een roodbruine mantel'. De Nederlandse, Engelse en Spaanse naam zeggen alle drie hetzelfde.