Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Robijnkeelkolibrie

Robijnkeelkolibrie | Archilochus colubris

Ruby-throated Hummingbird | Colibrí gorjirrubí

De robijnkeelkolibrie is de enige kolibrie die ten oosten van de Great Plains broedt, en daarmee voor miljoenen Amerikanen en Canadezen simpelweg dé kolibrie. Een vogel van drie gram die tweemaal per jaar in één ruk de Golf van Mexico oversteekt.

Robijnkeelkolibrie (Archilochus colubris)
Foto: ZankaM — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Geen zang in de gebruikelijke zin: het repertoire bestaat uit droge, piepende tsjie-tsjie-tsjie-reeksen, snel en scherp, waarmee vogels elkaar van een bloem of een voederflesje verjagen. Belangrijker is het instrumentale geluid: de vleugels van het mannetje maken bij het hangen een hoog, bijenachtig gezoem, en tijdens de baltsduik ratelt hij een tik-tik tik-tik met de vleugels terwijl de buitenste staartpennen een dun gejank geven. Wie een tuin met kolibries kent, hoort ze eerder dan hij ze ziet.

Luister: VluchtroepXC1177201

Opname: Anne McCormack — CC BY-NC-SA 4.0 · Bonhomme Township (near Kirkwood), St. Louis County, Missouri, United States · xeno-canto

Herkenning

Metaalgroen van boven, grijswit van onderen, met een lange rechte naaldsnavel en een korte, gevorkte staart. Het mannetje heeft een gitzwarte kin en een keelvlek die alleen in het juiste licht robijnrood oplicht en anders dofzwart lijkt — wacht tot de vogel zijn kop draait. Het vrouwtje mist de keelvlek, heeft een witte keel met hooguit fijne grijze streepjes, een afgeronde staart met witte punten en een vaag donker masker. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn grover gestreept op de keel; jonge mannetjes tonen vanaf de nazomer hun eerste rode veertjes.

Verwarrings­soorten

De zwartkinkolibrie (Archilochus alexandri) overlapt in Midden-Texas en op de westelijke Great Plains; het mannetje heeft een zwarte keel met een smalle violette onderrand, een langere en licht gebogen snavel en een doffer groene kruin. Vrouwtjes zijn nauwelijks te scheiden: de zwartkinkolibrie pompt bij het hangen onophoudelijk met de staart en heeft een brede, stomp afgeronde buitenste handpen, waar die van de robijnkeelkolibrie smal en spits is. Bijna elke kolibrie die in de winter aan een voederflesje in de zuidoostelijke staten hangt is een rosse kolibrie (Selasphorus rufus), met roodbruin op flanken en staartbasis. Ook de glasvleugelpijlstaarten (Hemaris) worden aan bloemen voor kolibries aangezien.

Leefgebied

Loof- en gemengd bos met open plekken, bosranden, oude houtwallen, boomgaarden en vooral bloemrijke tuinen en parken. Hij heeft twee dingen tegelijk nodig: nectarrijke buisbloemen — trompetklimmer, kardinaalslobelia, wilde bergamot — en een bosje waar het vrouwtje op een dunne horizontale tak haar walnootgrote nest van plantenpluis en spinrag kan bouwen. In het winterkwartier zit hij in droog tropisch bos, schaduwkoffie en bosranden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel van het hele oosten van de Verenigde Staten en van Zuid-Canada, van Nova Scotia en Zuid-Quebec westwaarts tot Alberta, met de westgrens ruwweg langs de Great Plains; van alle Noord-Amerikaanse kolibries heeft hij het grootste broedareaal. Hij overwintert van Zuid-Mexico tot Panama en op de Grote Antillen, met een groeiend aantal vogels langs de Golfkust van Louisiana, Texas en Florida. Een deel van de trek loopt om de Golf van Mexico heen langs de Texaanse kust, maar veel vogels verdubbelen hun vetmassa en steken in één ruk over: zo'n achthonderd kilometer open water in ongeveer twintig uur, waarbij de hele reserve opgaat.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga bij een bloeiende trompetklimmer of een rood voederflesje zitten en wacht: de vogels komen het vaakst in de ochtend en in het laatste uur licht. Let op de agressie — een mannetje verdedigt zijn bloemenveld en verraadt zich met de kruisende achtervolgingen boven de tuin. In de nazomer, wanneer de vogels vet aanleggen voor de Golf, is het aantal aan een voederflesje twee tot drie keer dat van juni; laat de flesjes tot in oktober hangen, ze houden geen vogel tegen die weg wil.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met naar schatting 34 tot 36 miljoen vogels: de talrijkste kolibrie van Noord-Amerika. De aantallen namen van 1970 tot het begin van deze eeuw toe, maar recente tellingen wijzen op een daling van zo'n zeventien procent. De grootste directe sterfte komt van ruitbotsingen en katten; op termijn weegt zwaarder dat de bloei van zijn nectarplanten en de aankomst van de vogels uit elkaar dreigen te lopen.

Wetenschappelijke naam

Archilochus colubris | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Trochilus colubris, bij de kolibries in ruime zin; omdat ze later naar Archilochus verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Archilochus werd in 1854 ingevoerd door Reichenbach, met de zwartkinkolibrie als typesoort; de naam is die van Archilochos van Paros, de Griekse dichter uit de zevende eeuw voor Christus. colubris is een latinisering van het Spaanse colibrí, dat zelf aan een Caraïbische taal is ontleend, en betekent eenvoudig 'kolibrie'. Linnaeus gaf 'North America' als vindplaats en werkte naar de plaat van Mark Catesby; die vogel kwam uit South Carolina, waartoe de typelocatie later is beperkt.