Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Rivoli's kolibrie

Rivoli's kolibrie | Eugenes fulgens

Rivoli's Hummingbird | Colibrí magnífico

Rivoli's kolibrie is, na de blauwkeeljuweelkolibrie, de tweede grootste kolibrie die in de Verenigde Staten broedt: een donkere vogel van bergbos die pas oplicht als het licht recht op zijn purperen kruin en smaragdgroene keel valt. Tot 2017 werd hij samen met een nauw verwante soort uit Midden-Amerika als één 'prachtkolibrie' beschouwd.

Rivoli's kolibrie (Eugenes fulgens)
Foto: PurpleHz (editor), Mdf (original author) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een luid, scherp tsjik of tsjiep, dat vanaf een zitplaats of in de vlucht wordt herhaald en bij opwinding of agressie in een snelle reeks overgaat. Er is ook een korter geratel van op- en neergaande tonen beschreven, maar het mannetje heeft geen uitgesproken zangvlucht of lied zoals sommige andere kolibries.

Luister: ZangXC605363

Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · Portal, Arizona, United States · xeno-canto

Herkenning

Het is een grote kolibrie met een lange, bijna rechte snavel, lange vleugels en een brede, licht gevorkte staart. Het mannetje is op afstand donker en effen ogend, maar toont in goed licht een violette kruin en een felgroene keelvlek boven een verder zwartachtige kop met een witte streep achter het oog. Het vrouwtje is brons-groen van boven met dof grijze onderdelen en dezelfde witte oogstreep. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn donkerder en bruiner.

Verwarrings­soorten

De blauwkeeljuweelkolibrie deelt dezelfde bergkloven maar heeft een blauwe in plaats van groene keel, een dubbele in plaats van enkele gezichtsstreep en grijzere onderdelen. De veel kleinere zwartkinkolibrie komt in dezelfde tuinen voor maar weegt nog geen kwart en heeft een paarszwarte in plaats van groene keel bij het mannetje. Vrouwtjes en jonge vogels worden onderling vooral gescheiden op grootte en op de dikte van de snavel, die bij Rivoli's kolibrie duidelijk zwaarder is.

Leefgebied

Hij bewoont het binnenland van bergen: pijnboom-eikenbos en wolkenbos tussen ongeveer 1500 meter en de boomgrens, met open plekken en bosranden, maar ook tweede-groei bos en grasland. Voederbakken bij berghutten en tuinen in bergdorpen worden gretig bezocht, vooral in de nazomer.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt in het zuidoosten van Arizona en mogelijk in het uiterste zuidwesten van New Mexico, van mei tot juli, maar overwintert niet in de Verenigde Staten. In de Chisosbergen van West-Texas zijn er zomerwaarnemingen, zonder dat broeden daar is bevestigd. Zuidelijker, van het noorden van Mexico tot Nicaragua en met vermeldingen ook in El Salvador, Guatemala en Honduras, is de soort een standvogel.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in juli en augustus bij voederbakken in de bergen van zuidoost-Arizona, waar mannetjes een vaste 'route' langs verspreide bloemgroepen aanhouden en dus regelmatig terugkomen op dezelfde plek. Let bij tegenlicht op de vorm — lange snavel, lange vleugels — eerder dan op kleur, die dan nauwelijks zichtbaar is.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met een groot en naar verluidt stabiel verspreidingsgebied. Bosbranden en houtkap in het zuiden van Mexico en Midden-Amerika vormen een mogelijke bedreiging op langere termijn, maar een concrete aantalschatting ontbreekt.

Wetenschappelijke naam

Eugenes fulgens | (Swainson, 1827)

Swainson beschreef de soort in 1827 als Trochilus fulgens, in dezelfde publicatie als de Mexicaanse violetoorkolibrie en van dezelfde typelocatie; ze is sindsdien in een ander geslacht geplaatst, vandaar de haakjes. Het geslacht Eugenes, ingevoerd door Gould in 1856, is Grieks voor 'welgeboren' of 'nobel'. fulgens is Latijn voor 'schitterend, glanzend'. De Nederlandse en Engelse naam eren de hertog van Rivoli, de Franse edelman en verzamelaar naar wie ook de annakolibrie is vernoemd; tot 2017 gold de soort samen met de talamancakolibrie als één geheel onder de naam prachtkolibrie.