Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Purpergors

Purpergors | Passerina ciris

Painted Bunting | Azulillo sietecolores

De purpergors is een kleine zaadeter waarvan het mannetje een blauwe kop, een groene rug en een rode stuit en onderdelen heeft; het vrouwtje en de jonge vogels zijn egaal groen tot geelgroen. De soort broedt in twee gescheiden gebieden — de zuidoostelijke kuststreek en het zuiden van de Great Plains — en wordt op de overwinteringsgebieden nog altijd voor de kooivogelhandel gevangen.

Purpergors (Passerina ciris)
Foto: Dakota L — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een korte, snelle, licht schetterende reeks van heldere lettergrepen, ongeveer twee seconden lang, die aan een reeks losse zinnetjes doet denken. Het mannetje zingt vanaf een vrije tak, een draad of de top van een struik, vooral in de vroege ochtend van april tot juli. De roep is een scherpe, metalige tsjip, in het dichte struweel meestal het enige houvast om de vogel te vinden.

Luister: ZangXC1087845

Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · Peveto Woods Sanctuary, Cameron Par., LA, United States · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje in volledig kleed heeft een blauwviolette kop en nek, een geelgroene mantel, een rode stuit en rode onderdelen vanaf de keel, en een smalle rode oogring. Dat kleed wordt pas in het tweede kalenderjaar bereikt; eerstejaars mannetjes zijn nog groen als de vrouwtjes. Het vrouwtje is van boven groen en van onderen geelgroen, met een bleke oogring; het is het enige groene zangvogeltje van dit formaat in het broedgebied. De snavel is kort en kegelvormig. De vogels blijven meestal laag en in de dekking.

Verwarrings­soorten

Groene vrouwtjes en jonge vogels zijn te verwarren met de gele vrouwtjes van andere kleine zaadeters, maar die zijn doffer en meestal gestreept of grijzer; de purpergors is helderder en effen groen, met een bleke oogring. Het mannetje in vol kleed is door de combinatie van blauwe kop, groene rug en rode onderdelen niet met een andere Noord-Amerikaanse zangvogel te verwarren. Eerstejaars mannetjes met eerste blauwe veertjes op de kop zijn wel met vrouwtjes te verwisselen.

Leefgebied

Struweel en secundaire opslag met een dichte onderlaag. De kustpopulatie gebruikt struweel achter de duinen, palmettoruigte, randen van maritiem bos, heggen, tuinen, braakliggende akkers en oude citrusgaarden; de binnenlandse populatie verlaten boerderijen, stroken bos tussen overgroeide akkers, bermen en beekoevers met struweel. In de winter zit hij langs de rand van tropisch bos en in dicht begroeide savanne, en verschijnt hij op voerplaatsen en in verruigde velden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Twee gescheiden broedgebieden. Het oostelijke ligt langs de kust van North Carolina, South Carolina, Georgia en Noordoost-Florida; het zuid-centrale strekt zich uit over Texas, Oklahoma, Kansas, Arkansas, Louisiana, Zuid-Missouri, West-Mississippi, New Mexico en Zuidoost-Arizona, en loopt door in Noord-Mexico. De overwintering valt in Zuid-Florida, op Cuba en de Bahama's, langs beide kusten van Mexico en in een groot deel van Midden-Amerika. Westelijke vogels beginnen de najaarstrek voordat ze ruien en wisselen hun veren in Noord-Mexico; oostelijke vogels ruien al in het broedgebied.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In mei en juni is de zang de betrouwbaarste ingang: zoek in de zuidoostelijke kuststreek een struweelrand langs een zandweg en wacht tot het mannetje boven op een struik komt zingen. Op voerplaatsen met witte millet in Zuid-Texas en Zuid-Florida is hij in de winter te zien. Zoek in de dekking ook naar effen groene vogels — dat zijn vrouwtjes en jongen, en die zijn talrijker dan de gekleurde mannetjes.

Staat van instandhouding

De soort is niet bedreigd (LC). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 15 miljoen vogels en geeft de soort 10 van 20 op de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20). De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1966 en 2019 een afname van ongeveer 0,8 procent per jaar zien, samen ongeveer een derde. Het verlies van struweel in moerassige kustzones en van oeverbegroeiing in Arizona en Noordwest-Mexico is het belangrijkste knelpunt. Vangst voor de kooivogelhandel is sinds de Migratory Bird Treaty Act (het Amerikaans-Canadese trekvogelverdrag) van 1918 verboden, maar gaat illegaal door in Mexico, Midden-Amerika en het Caraïbisch gebied, en in mindere mate in Florida.

Wetenschappelijke naam

Passerina ciris | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Emberiza ciris; omdat ze later naar Passerina ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passerina voerde Vieillot in 1816 in, naar het Latijnse passer 'mus'. De soortnaam ciris is de Latijnse naam van een vogel uit de mythologie, uit het Griekse keiris, een niet nader thuis te brengen vogel. Het beschreven exemplaar kwam uit Carolina, niet verder dan tachtig kilometer van de kust, later vastgelegd op South Carolina. De Engelse naam Painted Bunting en de Spaanse azulillo sietecolores ('van de zeven kleuren') verwijzen allebei naar het veelkleurige kleed van het mannetje.