Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Noordse pijlstormvogel
Noordse pijlstormvogel | Puffinus puffinus
Manx Shearwater | Pardela pichoneta
De noordse pijlstormvogel is een kleine, scherp zwart-witte pijlstormvogel die laag over het water scheert en daarbij afwisselend donker en licht opflitst. Zijn wereldpopulatie broedt vrijwel geheel aan de Europese kant van de Noord-Atlantische Oceaan, maar sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw broedt een klein aantal ook op een eiland voor Newfoundland, de eerste vaste broedplaats van de soort in Noord-Amerika.
Geluid
Op zee is de soort stil. Op de broedkolonie, die alleen 's nachts wordt bezocht, klinkt een schorre reeks kreunende, jankende en gillende geluiden uit de holen, met een helderdere, doordringende toon bij het mannetje tegenover een rauwere bij het vrouwtje; dat nachtelijke koor bezorgde de soort in delen van Europa bijnamen als 'duivelsvogel'.
Opname: Anthony McGeehan — CC BY-NC-SA 4.0 · Ards and North Down, Northern Ireland, United Kingdom · xeno-canto
Herkenning
Scherp getekend: van boven zwart tot zwartbruin, van onderen wit, met een wit gezicht dat achter het donkere oorveld omhoog krult. In de vlucht wisselen donkere en lichte kanten elkaar snel af doordat de vogel laag boven de golven van zij naar zij kantelt, met korte reeksen snelle, stijve vleugelslagen afgewisseld met glijvluchten vlak boven het wateroppervlak. De snavel is dun en donker, de poten roze.
Verwarringssoorten
De sargassopijlstormvogel is duidelijk kleiner, met een langere staart, meer donker onder de staart en minder wit onder de vleugel dan deze soort. De grauwe pijlstormvogel en de grote pijlstormvogel zijn allebei aanzienlijk groter en missen de scherpe zwart-witcontrastering; de grauwe pijlstormvogel is bovendien geheel donker van onderen. Op afstand is vooral het kleine formaat in combinatie met het felle contrast en de laag over het water schietende vlucht met korte glijfases kenmerkend.
Leefgebied
Op zee zoekt de soort zijn voedsel boven en aan de rand van het continentaal plat, waar hij aan het oppervlak vist en ook enkele meters onder water kan duiken achter kleine scholende vis. Hij broedt in door de vogel zelf of door konijnen gegraven holen in de grasachtige bodem van kleine, roofdiervrije eilanden en bezoekt de kolonie uitsluitend in het donker, om roofvogels te ontlopen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
De hoofdmassa van de wereldpopulatie broedt op eilanden bij het Verenigd Koninkrijk, Ierland, IJsland, de Faeröer en Madeira, ver buiten dit gidsgebied. Binnen dit gidsgebied broedt sinds de ontdekking in 1977 een klein, weinig succesvol kolonietje op Middle Lawn Island voor de zuidkust van Newfoundland; de kolonie is sindsdien niet gegroeid en bestaat grotendeels uit jonge, onervaren vogels. Los van die kolonie is de soort van het voorjaar tot in de herfst een geregelde, meest schaarse verschijning langs de Amerikaanse oostkust, onder meer voor Massachusetts en op pelagische tochten in de Golfstroom voor North Carolina, terwijl de hoofdpopulatie in de noordelijke winter naar de wateren voor Brazilië en Argentinië trekt, ver buiten dit gidsgebied.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk vanaf een hoge zeewaarnemingspost op Cape Cod in de nazomer, of ga mee op een Golfstroomtocht voor Hatteras, North Carolina: let op een klein, snel, laag over het water scherend zwart-wit vogeltje dat bij elke bocht van kleur lijkt te wisselen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC), met een Europese populatie van ruim drie- tot bijna vierhonderdduizend paar die licht afneemt maar niet snel genoeg om de soort in gevaar te brengen. De kleine kolonie op Newfoundland blijft al decennia even klein en kwetsbaar; kunstlicht dat uitvliegende jongen desoriënteert, ingevoerde roofdieren op broedeilanden, en op de Faeröer een jaarlijkse, legale vangst van enkele duizenden kuikens blijven de belangrijkste bedreigingen.
Wetenschappelijke naam
Puffinus puffinus | (Brünnich, 1764)
De Deense zoöloog Morten Thrane Brünnich beschreef de soort in 1764 als Procellaria puffinus; ze is sindsdien in het al in 1760 door Brisson ingevoerde geslacht Puffinus geplaatst, vandaar de haakjes om auteur en jaartal. De naam puffinus gaat terug op een Engelse naam voor het gepekelde, als voedsel verhandelde kuiken van deze soort, al zeker sinds 1337 in gebruik; pas rond 1678 raakte diezelfde naam, 'puffin', ten onrechte verbonden aan de papegaaiduiker, een geheel andere, onverwante alkachtige. De Engelse naam 'Manx', voor het eerst vastgelegd in 1835, verwijst naar het eiland Man, waar op het Calf of Man al in de zeventiende eeuw een grote kolonie bestond. De typelocatie ligt bij de Faeröer en Noorwegen.

