Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Noord-Amerikaanse helmspecht

Noord-Amerikaanse helmspecht | Dryocopus pileatus

Pileated Woodpecker | Picamaderos norteamericano

De Noord-Amerikaanse helmspecht is de grootste specht die met zekerheid nog in Noord-Amerika leeft: kraaigroot, overwegend zwart, met een vuurrode puntkuif en een witte streep over gezicht en hals. Zijn grote, rechthoekige hakgaten in stammen en stobben zijn in bossen van Brits-Columbia tot Florida vaak eerder te zien dan de vogel zelf. Paren blijven doorgaans jarenlang samen en verdedigen het hele jaar een groot territorium.

Noord-Amerikaanse helmspecht (Dryocopus pileatus)
Foto: Cephas — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het bekendste geluid is een luide, wilde reeks wuk-wuk-wuk-wuk-wuk, die in toonhoogte en tempo wat onregelmatig op- en neergaat en die ver door het bos draagt; hij lijkt op de roep van de gouden grondspecht, maar klinkt ruiger en minder gelijkmatig. Daarnaast geeft hij losse, harde kuk-roepen, vaak bij het opvliegen. Het trommelen is langzaam, diep en krachtig, een galmende roffel van twee à drie seconden, bij voorkeur op holle stammen.

Luister: RoepXC1135618

Opname: Jeff Stewart — CC BY-NC-SA 4.0 · Cavan-Monaghan (near Millbrook), Peterborough County, Ontario, Canada · xeno-canto

Herkenning

Een grote specht van 40 tot 49 centimeter, zo groot als een kraai, met een overwegend zwart lichaam, een grote, puntige rode kuif, een witte streep van de snavelbasis over de wang langs de halszijde, en een witte kin. In vlucht vallen grote witte vlekken aan de basis van de handpennen en witte ondervleugeldekveren op. Het mannetje heeft een rood voorhoofd en een rode baardstreep; bij het vrouwtje zijn voorhoofd en baardstreep zwart. De vlucht is krachtig en licht golvend, met diepe, onregelmatige slagen.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse kraai heeft in vlucht een vergelijkbaar formaat, maar is geheel zwart, zonder witte ondervleugels of rode kuif. De ivoorsnavelspecht van het zuidoosten, die als waarschijnlijk uitgestorven geldt, was nog groter en had een ivoorwitte snavel, een wit schild op de rug van de zittende vogel en een brede witte achterrand aan de vleugel; meldingen van ivoorsnavelspechten blijken vrijwel altijd Noord-Amerikaanse helmspechten te zijn. Andere spechten in het gebied zijn veel kleiner en missen de combinatie van zwart lijf en rode kuif.

Leefgebied

Rijp loof-, gemengd en naaldbos met grote bomen en veel dood hout, van hemlockbossen in het noordwesten tot cipressenmoerassen in het zuidoosten. Hij kan ook toe in jonger bos, mits er grote dode bomen staan of veel liggend, vermolmd hout is, en broedt steeds vaker in bosrijke voorsteden en parken. Het nest is een diepe holte met een langwerpige ingang in een dode boom; zijn oude holtes worden hergebruikt door uilen, eenden en boommarters.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van het zuiden van Canada, van Brits-Columbia tot Nova Scotia, en van het oosten van de Verenigde Staten tot Florida en de Golfkust. In het westen komt hij voor langs de Pacifische kust van Brits-Columbia tot in Californië en in de noordelijke Rocky Mountains; hij ontbreekt op de Great Plains, in het droge binnenland van het westen en in Mexico. Gewoonlijk worden twee ondersoorten onderscheiden: de noordelijke abieticola en de zuidelijke nominaatvorm, die iets kleiner is.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kijk in oud bos naar verse, grote rechthoekige of ovale gaten laag in stammen en stobben, vaak met een bergje houtsnippers eronder: daar heeft hij timmermansmieren uitgehakt, die tot het grootste deel van zijn voedsel vormen. Blijf even in de buurt en luister naar het wilde wuk-wuk-wuk of het zware trommelen. Ook bij voederplekken met reuzel verschijnt hij tegenwoordig regelmatig, vooral in de winter.

Staat van instandhouding

De IUCN rekent de soort tot niet bedreigd (LC). Partners in Flight schat de populatie op ongeveer 2,6 miljoen vogels, en volgens de Breeding Bird Survey nam het aantal tussen 1966 en 2019 gestaag toe. Na de grootschalige bosontginning in de achttiende en negentiende eeuw was hij in het oosten sterk teruggelopen, maar met het teruggroeien van het bos heeft hij veel terrein herwonnen. Het opruimen van dode bomen en liggend hout in bossen en parken blijft de voornaamste bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Dryocopus pileatus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Picus pileatus, op basis van de afbeelding en beschrijving van Mark Catesby; de typelocatie is South Carolina. Omdat de soort sindsdien in Dryocopus staat, een geslacht dat Friedrich Boie in 1826 invoerde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Dryocopus komt van het Griekse drus 'boom' en kopos 'hakker'; pileatus is Latijn voor 'met een kap' (pileus), naar de rode kuif.