Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Nijlgans

Nijlgans | Alopochen aegyptiaca

Egyptian Goose | Ganso del Nilo

De nijlgans heeft in Noord-Amerika een dubbele geschiedenis: in Afrika een inheemse watervogel van vrijwel elk stuk water, hier een ontsnapte sierwatervogel die sinds de jaren tachtig van de twintigste eeuw op meerdere plekken een wilde populatie heeft gevestigd. Een roodbruine oogvlek op een verder lichte kop en lange roze poten maken hem op elke vijver meteen herkenbaar. In het oude Egypte gold de vogel als heilig en verscheen hij op tempelreliëfs; in Florida en Californië geldt hij inmiddels vooral als een steeds algemener wordende gast op golfbanen en in parken.

Nijlgans (Alopochen aegyptiaca)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het repertoire is beperkt maar strikt verdeeld naar geslacht: uitsluitend het mannetje snerpt met een schor gesnauw, uitsluitend het vrouwtje stoot een rauw, gakkend gegrom uit, en verder sissen beide seksen bij dreiging en honken ze luid zodra ze opvliegen. In de vlucht bromt de vleugelslag zelf hoorbaar, een laag zoemend geluid dat een nadering al van ver verraadt; tijdens een territoriale baltsvlucht boven het water wordt dat gebrom tot een herhaald, zwiepend gesuis. Op de vijvers waar de meeste Noord-Amerikaanse vogels zitten, in rustige groepjes bijeen, blijft het meestal bij het sissende protest van een vogel die te dicht benaderd wordt.

Luister: VluchtroepXC1162840

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · Mossel Bay Local Municipality (near Great Brak River), Garden Route District Municipality, Western Cape, South Africa · xeno-canto

Herkenning

Het verenkleed is een fijn mengsel van grijs en okerbruin, met een kastanjebruine vlek midden op de borst en een vergelijkbare vlek rond de staartbasis. Rond het lichtgele oog zit een roodbruine vlek op een verder lichte kop, het kenmerk waaraan de soort het snelst te herkennen is. Snavel en poten zijn roze, de poten lang voor een watervogel van dit formaat. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk getekend; het mannetje is groter en iets feller gekleurd, maar in het veld is het onderscheid zelden met zekerheid te maken. Jonge vogels missen de scherpe oogvlek en zijn doffer getekend. In de vlucht springen grote witte vlekken op de vleugel in het oog, omgeven door verder zwarte vleugelpennen, met een groenige spiegel ertussenin.

Verwarrings­soorten

De nijlgans oogt als een gans maar staat taxonomisch dichter bij de bergeend (Tadorna tadorna) en de andere bergeenden, wat zich verraadt in de rechte, hoge poten en de rusteloze, kibbelende manier van doen op het water. Verwarring met inheemse ganzen is zelden een probleem: de grote Canadese gans (Branta canadensis) mist de oogvlek volledig en heeft een zwarte in plaats van lichte kop en hals. Op een vijver in Florida of Texas zit de nijlgans vaker tussen verwilderde parkganzen en -eenden van gemengde afkomst, waarbij vooral de roze poten en snavel en de kastanjebruine borstvlek het onderscheid maken. Op grotere afstand, wanneer alleen het silhouet zichtbaar is, geven de lange poten en de rechte, waakzame houding de doorslag.

Leefgebied

In Afrika, waar de soort inheems is, gebruikt hij vrijwel elk stuk open water: rivieren, meren, moerassen, rioolwaterbekkens en tijdelijke plassen in de savanne, met foerageertochten op aangrenzend grasland en akkerland. In Noord-Amerika herhaalt zich dat patroon op kleinere schaal: aangelegde vijvers op golfbanen en in bedrijvenparken, retentiebekkens, stadsparken met open gazon vlak bij water. Hij mijdt gesloten bos en zout, onbeschut open water, en zoekt altijd een combinatie van korte grasmat om te grazen en een rand van open water om zich terug te trekken. Er wordt gebroed in een boomholte, op een gebouw of gewoon op de grond bij het water, en de familie trekt daarna naar het dichtstbijzijnde gazon.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Van nature bewoont de nijlgans de Nijlvallei van Egypte en Soedan en vrijwel heel Afrika bezuiden de Sahara. De Noord-Amerikaanse populatie gaat terug op ontsnapte en losgelaten sierwatervogels: broeden werd voor het eerst gemeld in de jaren tachtig bij Tampa Bay, gevolgd door een blijvende vestiging in Martin County, Florida, begin jaren negentig. Sindsdien is de soort wijd verspreid geraakt over Florida en breidt hij zich verder uit; kleinere, plaatselijk gevestigde populaties ontstonden bij Los Angeles en Orange County in Californië, rond Houston in Texas en bij Gentry in Arkansas, telkens vanuit ontsnapte parkvogels. Net als in West-Europa, waar de soort dezelfde weg via ontsnapte sierwatervogels aflegde, breidt hij zijn areaal hier nog steeds uit.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op elke vijver met een goed onderhouden gazon eromheen — een golfbaan of bedrijvenpark in Florida is vrijwel gegarandeerd raak — en let al van ver op de rechte, waakzame houding tussen de laag grazende eenden en ganzen. De felste kleuren en het meest volledige gedragsrepertoire, met inbegrip van het hardnekkige, luidruchtige verjagen van andere watervogels uit een territorium, zijn in het voorjaar te zien, als de paren zich vestigen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd is de nijlgans niet bedreigd (LC) en de Afrikaanse populatie is groot en stabiel. De Noord-Amerikaanse populatie is klein maar groeiend, met de kern in Florida in de honderden vogels en kleinere, geïsoleerde groepen elders. Zoals in Europa wordt de soort hier voorzichtig als mogelijk invasief gezien, vanwege de concurrentie om nestholtes en voedsel met inheemse watervogels; op dit moment blijft formele bestrijding echter beperkt tot plaatselijke initiatieven.

Wetenschappelijke naam

Alopochen aegyptiaca | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Anas aegyptiaca, bij de eenden; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Alopochen werd in 1885 ingevoerd door Stejneger en is Grieks voor 'vossengans', een samentrekking van alopex, 'vos', en chen, 'gans', naar de roodbruine kleur van de rug. De soortnaam aegyptiaca is Latijn voor 'Egyptisch'. De typelocatie is Egypte, naar het gebied waar de eerst beschreven exemplaren vandaan kwamen.