Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Carolina-eend
Carolina-eend | Aix sponsa
Wood Duck | Pato joyuyo
De carolina-eend is een van de kleurigste watervogels van Noord-Amerika: het mannetje draagt een glanzend groen-paarse kop met witte striping, een kastanjebruine borst en felrode ogen. Rond 1900 was de soort door onbeperkte jacht en het verdwijnen van oud bos met holle bomen bijna verdwenen; een eeuw bescherming en duizenden nestkasten maakten er weer een van de talrijkste eenden van het continent van. Als een van de weinige eenden broedt hij in boomholtes, vaak ver van open water.
Geluid
Het vrouwtje geeft bij het opvliegen een luide, uitgerekte gil, oe-iek oe-iek, die in dicht bos vaak het eerste signaal van een verstoorde vogel is. Het mannetje is veel stiller en laat een dun, op- en aflopend fluitje horen, dzieet, vooral tijdens de balts. Bij het bijeenroepen van net uit het nest gesprongen jongen klinkt van het vrouwtje een zachte, aanhoudende reeks lokgeluiden. In vlucht is verder weinig geluid te horen.
Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · South Bozeman, Gallatin County, Montana, United States · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje in prachtkleed heeft een lange, opgerichte kuif, een groen-paarse glans op de kop met witte striping van snavelbasis tot achterhoofd, een kastanjebruine borst met witte vlekken, gestreepte flanken en een rood-met-zwarte snavel. Het vrouwtje is grijsbruin met een eveneens opgerichte, kortere kuif en een kenmerkende witte, druppelvormige oogring. Beide geslachten tonen een blauwig, wit omzoomd vleugelspiegel. In de vlucht valt de kastvormige kop, de dunne hals en de lange, brede staart op; de vogels vliegen met de kop iets omhoog en zijn snel en wendbaar tussen bomen door.
Verwarringssoorten
Het vrouwtje wordt het vaakst verward met de kokardezaagbek (Lophodytes cucullatus), die eveneens een kuif en een vergelijkbare grootte heeft maar een langere, dunnere snavel bezit en de witte oogring van de carolina-eend mist. Het mannetje van de wilde eend (Anas platyrhynchos) heeft een ronde kop zonder kuif en een veel eenvoudiger kleurpatroon. De Aziatische mandarijneend (Aix galericulata), de enige andere soort in hetzelfde geslacht, is in Noord-Amerika niet gevestigd maar duikt incidenteel op als ontsnapte parkvogel en heeft waaiervormige 'zeilveren' op de vleugel die de carolina-eend mist.
Leefgebied
Bosmoeras, traag stromende beken, dichtbegroeide bevervijvers en door bomen omzoomde moerassen — overal waar open water samengaat met bomen om in te nestelen. Voor voedsel is een gevarieerde onderlaag van ondergedoken waterplanten, eikels en zaden voldoende; de soort duikt zelden en foerageert vooral grondelend of lopend aan de oever. Voor de nestholte is een boom met een doorsnede van minstens dertig centimeter en een opening van niet meer dan tien centimeter nodig, van vlak boven het water tot twintig meter hoog; kunstmatige nestkasten worden op veel plekken overgenomen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt over vrijwel het hele oosten van de Verenigde Staten en het zuiden van Canada, met het zwaartepunt in de moerasbossen van de Mississippi-vallei, en afzonderlijk langs de westkust van Brits-Columbia tot Californië. In het binnenland van het westen, van de Rocky Mountains tot de Great Plains, ontbreekt hij vrijwel als broedvogel. Noordelijke en Canadese vogels trekken in de winter zuidwaarts tot in Mexico en de Bahama's; in het grootste deel van het zuidoosten en op de westkust is de soort standvogel. Cuba herbergt een eigen broedpopulatie, los van het Noord-Amerikaanse vasteland.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem langs bosbeken en bevervijvers in de vroege ochtend, wanneer paren tussen de oeverbomen zwemmen voordat drukte op het water begint; een plotselinge, luide gil van een opvliegend vrouwtje is vaak de eerste aanwijzing. In de nazomer verzamelen zich op sommige moerassen honderden ruiende en net uitgevlogen vogels in gemengde groepen, goed te herkennen aan het geduldige zoeken tussen de oeverbegroeiing.
Staat van instandhouding
Een van de duidelijkste natuurbeschermingssuccessen onder de Noord-Amerikaanse eenden: rond 1900 vreesden ornithologen voor uitsterven door ongereguleerde jacht en verlies van nestholtes, tot de Migratory Bird Treaty Act (het Amerikaans-Canadese trekvogelverdrag) van 1918 de jacht aan banden legde en vanaf de jaren dertig op grote schaal nestkasten werden opgehangen. De populatie is nu gestabiliseerd op ruim vier miljoen vogels in het oosten en op de westkust samen. Voortdurend verlies van oud bos met natuurlijke holtes blijft de belangrijkste zorg, opgevangen door het aanhoudende nestkastenprogramma.
Wetenschappelijke naam
Aix sponsa | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas Sponsa, bij de eenden; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aix werd in 1828 ingevoerd door Boie, naar een Oudgrieks woord dat Aristoteles gebruikte voor een niet met zekerheid te identificeren duikvogel. sponsa is Latijn voor 'verloofde' of 'bruid', naar het feestelijke verenkleed van het mannetje. De typelocatie is Carolina, gebaseerd op de achttiende-eeuwse beschrijving en afbeelding van Mark Catesby, op wiens werk Linnaeus veel van zijn Noord-Amerikaanse vogelsoorten baseerde.




