Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Langsnavelwouw

Langsnavelwouw | Chondrohierax uncinatus

Hook-billed Kite | Milano picogarfio

Een wouw met een zware, diep gehaakte snavel waarmee hij boomslakken uit hun huisje peutert — een voedselkeuze die geen andere roofvogel van Noord-Amerika deelt. Mannetje en vrouwtje zien er zo verschillend uit dat ze lang voor twee soorten werden gehouden, en daarnaast bestaat er nog een zeldzame gitzwarte vorm. In de Verenigde Staten broedt hij alleen langs een korte strook van de Rio Grande in Zuid-Texas.

Langsnavelwouw (Chondrohierax uncinatus)
Hoofdfoto · Foto: Luiz Carlos Rocha — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een luidruchtige roofvogel, vooral in de balts. Het bekendste geluid is een snelle, ratelende triller die aan een specht doet denken, soms overgaand in een langzamer, dalende rammel. Daarnaast klinken een zacht hoe-ie, schelle gillen en een heldere, wielewaalachtige fluittoon. Baltsende paren draaien in strakke kringen omhoog terwijl ze onafgebroken roepen, en dat is in de dichte ooibossen van de Rio Grande vaak het eerste teken dat de soort aanwezig is.

Luister: ZangXC769603

Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · Foz do rio Sucupira, Porto Franco, Maranhão, Brazil · xeno-canto

Herkenning

De vleugels zijn breed en aan het uiteinde rond, bij het lichaam smal ingesnoerd, zodat het silhouet in de zweefvlucht op twee peddels lijkt; de staart is lang en draagt twee of drie brede lichte banden. Alle kleden hebben de grote, diep gebogen snavel en bij volwassen vogels een bleek geeloranje oog en een groenige, vlezige washuid. Het mannetje is leigrijs van boven en fijn wit en grijs gebandeerd van onderen; het vrouwtje is donkerbruin van boven, kastanjebruin en wit gebandeerd van onderen, met een oranjebruine halskraag. Jonge vogels zijn bleekbruin van boven en grotendeels wit van onderen, met wat donkere bandering op borst en flanken en een donker oog. Daarnaast komt op het vasteland een zeldzame donkere vorm voor: geheel zwart, met witte bandering in de handpennen en één brede witte staartband. Zoals bij vrijwel alle haviken en wouwen is het vrouwtje de grootste van het paar, en de snavelgrootte verschilt sterk van vogel tot vogel, ook binnen één streek.

Verwarrings­soorten

De grijze buizerd is eveneens grijs met fijne bandering, maar heeft een gewone, veel kleinere snavel, spitsere vleugels en een scherper afgetekende zwart-witte staart. De breedvleugelbuizerd heeft een egale roodbruine borstbandering, een kortere staart met één brede witte band en een veel rustiger vleugelvorm zonder de ingesnoerde basis. De donkere vorm wordt voor de zwarte buizerd of de bandstaartbuizerd gehouden; let dan op de geruite handpennen en de smalle, bleke snavelbasis. Jonge vogels lijken van onderen op jonge breedvleugelbuizerds, maar verraden zich door het snavelformaat en de geblokte tekening in de slagpennen.

Leefgebied

Loofbos en galerijbos langs beken en rivieren, laaglandregenwoud, en in Texas de resterende stroken cipres, palm en mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes) langs de Rio Grande. Hij houdt zich meestal laag en verborgen in het kronendak en komt vooral rond het middaguur boven het bos uit om te zweven. Waar hij precies zit hangt af van de boomslakken: zijn er weinig, dan verhuist hij, en vaste territoria bestaan buiten het broedseizoen nauwelijks. Ook mangrove en droger doornbos worden gebruikt, open cultuurland niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van Zuid-Texas en Mexico door Midden-Amerika, en buiten het gidsgebied verder tot in Argentinië; op Cuba leeft een aparte, zeer zeldzame vorm in het oosten van het eiland. In de Verenigde Staten is hij tot een strook van ongeveer honderdvijftig kilometer langs de Rio Grande beperkt, waar hij pas sinds de jaren zestig met zekerheid broedt en waar zelden meer dan een paar tientallen vogels tegelijk zijn. Binnen het grote areaal is hij plaatselijk en zwervend in plaats van gelijkmatig verspreid. Het broeden valt samen met het regenseizoen, wanneer de slakken het talrijkst zijn.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Ga in Zuid-Texas op een windstille ochtend naar een uitkijkpunt boven het ooibos langs de Rio Grande en wacht tot de thermiek op gang komt, meestal tussen tien en twaalf uur; dan komen de vogels kort boven de bomen om te zweven en is het peddelvormige vleugelsilhouet het beste kenmerk. Zoek verder naar hopen stukgebroken slakkenhuizen onder een vaste zitplaats: dat is het zekerste spoor dat hij er zit.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op ongeveer tweehonderdduizend broedvogels geschat en de soort is niet bedreigd (LC). Plaatselijk gaat de soort achteruit door het kappen van ooibos en laaglandbos, en door uitheemse slakken die de inheemse boomslakken verdringen. Twee eilandvormen zijn er veel slechter aan toe: van de vorm op Grenada zijn minder dan zeventig vogels over, en de Cubaanse vorm is sinds de jaren negentig nog maar een handvol keren gezien.

Wetenschappelijke naam

Chondrohierax uncinatus | (Temminck, 1822)

Temminck beschreef de soort in 1822 als Falco uncinatus, bij de valken; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. uncinatus is Latijn voor 'voorzien van een haak', van uncinus, 'weerhaak' — naar de zwaar gekromde bovensnavel. Het geslacht Chondrohierax werd in 1843 ingevoerd door Lesson en is gevormd uit het Griekse khondros, 'kraakbeen', en hierax, 'havik', naar de weke, gezwollen huid boven de snavel. Het beschreven exemplaar kwam volgens Temminck uit de omgeving van Rio, noordwaarts door Brazilië en heel Guyana.