Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Amerikaanse grijze wouw
Amerikaanse grijze wouw | Elanus leucurus
White-tailed Kite | Elanio maromero
Een kleine, lichte roofvogel die boven grasland minutenlang stil in de wind hangt en zich dan met gestrekte poten laat vallen: wit van onderen, lichtgrijs van boven, met zwarte schoudervlekken en rode ogen. Rond 1930 was hij door afschot en eierrapen tot een handvol paren in Californië en Texas teruggedrongen. Sindsdien heeft hij zich hersteld en zijn areaal noordwaarts tot in Washington en oostwaarts tot in Florida uitgebreid.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Naar roofvogelmaatstaven een stille vogel, die zich zelden verraadt voordat je hem ziet. De gewone roep is een zacht gefloten kiep of kjuu, het hele jaar door te horen en niet ver dragend. Bij het nest en bij het overgeven van prooi klinkt een raspender, snel herhaald grrip grrip grrip. Jonge vogels bedelen met een aanhoudend, dun piepen dat vanaf de nestboom de omgeving in gaat. Wie hem zoekt gebruikt dus zijn ogen: het biddende silhouet valt van honderden meters op, de roep hoor je pas van dichtbij.
Opname: José María Loaiza B. — CC BY-NC-SA 4.0 · Calacali, 1.5Km desde la "Y a Moraspungo, Hacienda grande Amarilla, Ecuador · xeno-canto
Herkenning
Volwassen vogels zijn van onderen zuiver wit en van boven lichtgrijs, met een grote zwarte vlek op de schouder en een zwarte polsvlek op de ondervleugel. De kop is wit met een zwarte vlek rond het diep karmijnrode oog; de staart is wit en van onderen vrijwel ongetekend. De vleugels zijn lang, smal en spits en worden bij het zweven in een flauwe V gehouden. Jagend bidt hij: hij klapwiekt tegen de wind in met kop en staart omlaag gericht, blijft roerloos op één punt staan en laat zich dan in etappes zakken. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit; zoals bij vrijwel alle haviken en wouwen is het vrouwtje iets groter en zwaarder, maar in het veld is dat verschil niet te zien. Jonge vogels hebben een roestbruine waas over kruin en borst en een bruin gevlekte rug, maar dragen de zwarte schoudervlek al.
Verwarringssoorten
De mississippiwouw is eveneens grijs, maar mist de zwarte schoudervlek, heeft een donkere staart en bidt niet. Het mannetje van de blauwe kiekendief is grijs met wit, maar heeft zwarte vleugeltoppen en een witte stuit en jaagt laag zwenkend over het veld in plaats van hangend. De Amerikaanse torenvalk bidt wel, maar is veel kleiner, heeft een roestbruine rug en staart en een veel snellere vleugelslag. Op afstand wordt een biddende grijze wouw voor een meeuw of stern aangezien; de zwarte schoudervlek, de korte brede kop en de omlaag gerichte staart maken dan het verschil.
Leefgebied
Open en halfopen laagland met een lage, dichte kruidlaag: graslanden met verspreide eiken, weiden, natte laagten, rietruigten, dijken en akkerranden. Hij heeft twee dingen tegelijk nodig — een goede stand van woelmuizen om op te jagen, en een hoge boom om in te nestelen en te slapen. Zwaar begraasd land mijdt hij, omdat daar geen dekking en dus nauwelijks muizen zijn; gesloten hoogbos gebruikt hij helemaal niet. Buiten het broedseizoen slapen de vogels gezamenlijk, soms met tientallen in dezelfde boomgroep.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel in Californië, westelijk Oregon en zuidwestelijk Washington, in Texas en de kuststroken van Louisiana en Florida, en verder door Mexico en Midden-Amerika tot Nicaragua; buiten het gidsgebied gaat het areaal door tot in Chili en Argentinië. Hij trekt niet maar zwerft: bij een piek in de muizenstand vestigen zich in korte tijd veel paren in een streek, om er na een inzinking weer te verdwijnen. In de eerste helft van de twintigste eeuw was hij door afschot en het rapen van eieren tot een restje in Californië en Zuid-Texas teruggebracht. Daarna herstelde hij zich snel: Oregon werd in de jaren zeventig bezet, het eerste broedgeval in Washington dateert van 1988, en ook in Florida en Louisiana heeft hij zich gevestigd.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd overdag langs graslanden, dijken en braakliggende velden en let op een witte vogel die stil in de lucht staat — geen andere roofvogel van dit formaat blijft zo lang en zo roerloos boven één plek hangen. Het laatste uur voor zonsondergang is de beste tijd: dan jagen ze het felst, en in de winter verzamelen ze zich daarna bij hun gezamenlijke slaapbomen.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op ongeveer twee miljoen vogels geschat, maar in Noord-Amerika liep het aantal tussen 1970 en 2014 met ruim een derde terug. De grootste bedreiging is het verdwijnen van open grasland onder huizenbouw en intensieve akkerbouw, waardoor de dekking voor woelmuizen wegvalt. Omdat de soort sterk op muizencycli reageert, schommelen de aantallen van jaar tot jaar en van streek tot streek hoe dan ook sterk.
Wetenschappelijke naam
Elanus leucurus | (Vieillot, 1818)
Vieillot beschreef de soort in 1818 als Milvus leucurus, bij de echte wouwen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Elanus werd in 1809 ingevoerd door Savigny en gaat terug op het Griekse elanos, 'wouw'. leucurus is gevormd uit leukos, 'wit', en oura, 'staart': witstaart, naar het meest opvallende kenmerk van de vliegende vogel. Het beschreven exemplaar kwam uit Paraguay. Decennialang werd E. leucurus samengevoegd met de Oude-Wereldsoort Elanus caeruleus; op grond van maat, vorm, kleed en gedrag geldt hij sinds de jaren negentig weer als aparte soort.




