Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Kleine blauwe reiger
Kleine blauwe reiger | Egretta caerulea
Little Blue Heron | Garceta Azul
De kleine blauwe reiger is een middelgrote reiger die als volwassen vogel egaal leigrijsblauw is met een wijnrode hals en kop, maar het hele eerste levensjaar helemaal wit doorbrengt als juveniel. Die twee uitersten, en de bonte overgangsvogels ertussenin, geven hem onder de reigers van Noord-Amerika een van de meest uiteenlopende reeksen leeftijdskleden. Hij broedt in gemengde kolonies met andere reigers en ibissen, meestal op eilanden die grondroofdieren buiten houden.
Geluid
De kleine blauwe reiger is een overwegend stille vogel; buiten de kolonie is zelden meer te horen dan incidenteel, schor gekras of gekwaak als hij wordt opgeschrikt. Belangrijker dan de stem is het met de snavel klapperen: partners doen dat zacht en ratelend tegen elkaar aan als begroeting, terwijl een indringer bij het nest met luide, felle klappen wordt weggejaagd. Jongen in het nest bedelen met een aanhoudend, schor gepiep.
Opname: Valerie Heemstra — CC BY-NC-SA 4.0 · Blue Heron Nature Park (near Deltona), Volusia County, Florida, United States · xeno-canto
Herkenning
Volwassen vogels zijn van kop tot staart egaal leiblauw, met een donker wijnrode hals en kop die vooral in de broedtijd opvalt, een grijsblauwe snavel met zwarte punt en groenachtige poten. Juveniele vogels zijn daarentegen helemaal wit, met dezelfde grijsblauwe, zwartgepunte snavel en groenachtige poten als houvast tegenover andere witte reigers. Bij de rui naar het tweede kalenderjaar ontstaat een bonte, gevlekte overgangsfase — bekend als 'calico' of 'piebald' — waarin blauwe en witte veren dooreen staan; deze fase duurt enkele maanden en is met geen andere Noord-Amerikaanse reiger te verwarren zodra je hem eenmaal kent. In alle kleden waadt de vogel langzaam en bedachtzaam, met de nek recht naar voren gestrekt en de snavel schuin omlaag.
Verwarringssoorten
Witte onvolwassen vogels worden het vaakst verward met de Amerikaanse kleine zilverreiger (Egretta thula): die heeft een zwarte snavel met gele teugel en zwarte poten met scherp afstekende gele voeten ('gouden pantoffels'), tegenover de grijsblauwe snavel en groenige poten van de kleine blauwe reiger, en jaagt bovendien veel actiever, rennend en met de vleugels wapperend, waar de kleine blauwe reiger juist traag en geduldig waadt. Volwassen vogels worden verward met de witbuikreiger (Egretta tricolor): die heeft een scherp afstekende witte buik en een witte streep over de voorhals, terwijl de kleine blauwe reiger van kop tot staart egaal donker is. De donkere kleurvorm van de roodhalsreiger (Egretta rufescens) is groter, met een rafelige, sjofele hals en een actieve, dansende jachtstijl die sterk verschilt van de rust van de kleine blauwe reiger.
Leefgebied
De soort gebruikt een breed scala aan ondiepe wateren — moerassen, vijvers, beken, lagunes, slikvelden, kanalen, sloten en overstroomde velden — zolang er ondiep, rustig water is om in te waden. Broedkolonies liggen in lage struiken en kleine bomen, bij voorkeur op eilanden waar grondroofdieren niet bij kunnen. Buiten het broedseizoen trekt de soort ook naar mangrove, zoutpannen en modderbanken langs de kust. Snelstromend of diep water mijdt hij, net als druk bezocht, open akkerland zonder waterpartijen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van Missouri en Virginia zuidwaarts door vrijwel het hele zuidoosten van de Verenigde Staten, met de grootste kolonies in de benedenloop van de Mississippi, en is in Florida en langs de Golfkust het hele jaar aanwezig. Na het broedseizoen verspreiden volwassen en jonge vogels zich in alle richtingen, ook noordwaarts tot in Canada, voor ze in het najaar zuidwaarts trekken; geringde vogels zijn tot in Zuid-Amerika teruggevonden. Buiten de Verenigde Staten broedt de soort door tot in Mexico, Midden-Amerika, het Caraïbisch gebied en Zuid-Amerika tot in Uruguay en het zuiden van Brazilië. Sinds het midden van de twintigste eeuw is de Noord-Amerikaanse populatie flink afgenomen; klimaatmodellen voorspellen tegelijk een verdere areaaluitbreiding naar het noorden deze eeuw.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in de nazomer langs ondiepe kreken en moerasranden in het zuidoosten naar bont gevlekte 'calico'-vogels — die verraden zich niet alleen door hun kleur maar ook doordat ze vaak nog wat onhandig en aarzelend jagen, in tegenstelling tot de zelfverzekerde volwassen vogels. Vergelijk bij elke witte reiger eerst snavel en poten voor je 'Amerikaanse kleine zilverreiger' roept: bij twijfel is groenige poten en een grijzige snavelbasis voldoende voor een juveniele kleine blauwe reiger.
Staat van instandhouding
De Noord-Amerikaanse populatie is sinds 1966 met ongeveer de helft afgenomen, vooral door verlies van moerasgebied en veranderde waterhuishouding, en de soort staat in verschillende staten op de lijst van zorgwekkende soorten. Wereldwijd, met de grote populaties in Midden- en Zuid-Amerika meegerekend, beoordeelt de IUCN de soort niettemin als niet bedreigd (LC). Verstoring van broedkolonies door mensen leidt plaatselijk tot het verlaten van nesten.
Wetenschappelijke naam
Egretta caerulea | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort al in 1758 als Ardea caerulea, in het geslacht dat toen vrijwel alle reigers omvatte; sindsdien is ze naar een ander geslacht verhuisd, vandaar de haakjes om auteur en jaartal. Forster voerde het geslacht Egretta in 1817 in, een naam ontleend aan het Provençaals-Franse aigrette, een verkleinwoord van aigron, 'reiger'. Het epitheton caerulea is Latijn voor 'hemelsblauw' of 'donkerblauw', naar het verenkleed van de volwassen vogel — niet naar het witte jeugdkleed, dat Linnaeus dus niet van hetzelfde exemplaar gekend kan hebben. De typelocatie is Noord-Amerika, nader bepaald tot South Carolina, naar de beschrijving en afbeelding van Catesby.




