Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Klapperral

Klapperral | Rallus crepitans

Clapper Rail | Rascón Crepitante

De klapperral is de ral van de zoute getijdenmoerassen aan de Atlantische kust en de Golfkust, een grijsbruine vogel met een lange, licht gebogen snavel. Hij dankt zijn naam aan de klapperende reeks roepen die bij eb en vloed door het slijkgras rolt. Wie hem wil zien moet op een springtij wachten; horen kan bijna altijd.

Klapperral (Rallus crepitans)
Foto: Matt Tillett — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het kenmerkende geluid is een luide, klapperende reeks kek-kek-kek-kek, die snel begint, na een tiental tonen vertraagt en dan wegsterft. Paren voegen daar een laag, grommend duet aan toe, en bij onraad klinkt een korte, scherpe kek. Eén roepende vogel steekt de buren aan, zodat het geluid als een kettingreactie over het moeras trekt; dat gebeurt overdag zowel als 's nachts, met een piek rond schemering en hoogwater. In het najaar en de winter is het rustiger, maar zelden helemaal stil.

Luister: ZangXC1148841

Opname: Scott McConnell — CC BY-NC-SA 4.0 · Sea Isle City, Cape May County, New Jersey, United States · xeno-canto

Herkenning

Een grote, slanke ral met een kleine kop, een lange en licht neerwaarts gebogen snavel en een korte staart die vaak omhoog staat. Kop, hals en borst zijn licht grijsbruin tot dof kaneelkleurig, met een grijze wang; de rug is donker olijfbruin met lichte veerzomen en de flanken zijn grijs-wit gebandeerd. Onder de staart zit een witte vlek, de snavel is oranje aan de basis met een donkere punt en de poten zijn vaalgeel tot rozig, meestal onder de modder. De borstkleur verschilt per gebied: vogels van de noordelijke Atlantische kust zijn het grauwst, die van de Golfkust en de Caraïben warmer van tint. Jonge vogels zijn donkerder en grijzer, donsjongen geheel zwart. Het lichaam is van opzij breed maar van voren smal, wat het lopen tussen de dichte stengels mogelijk maakt.

Verwarrings­soorten

De koningsral is groter, met een roestrode borst, een warmer bruine rug en scherper zwart-wit gebandeerde flanken, en houdt zich aan zoet water; in brakke overgangszones broeden beide soorten door elkaar en zijn tussenvormen niet met zekerheid op naam te brengen. De Californische ral lijkt sterk op deze soort maar leeft aan de Grote Oceaan, duizenden kilometers verderop. De virginiaral heeft hetzelfde patroon in het klein: twintig tot zevenentwintig centimeter, met een dunne rode snavel en een duidelijk grijs gezicht. De soraral heeft een korte gele snavel en een zwart masker en is niet met deze soort te verwisselen.

Leefgebied

Zout getijdenmoeras met slijkgras en zoutbies, doorsneden door kreken met kale modderoevers waar hij bij laag water foerageert. In het zuiden van het areaal verschuift dat naar mangrove, en aan de bovenrand van de kwelder naar brak riet- en biesmoeras. Hij heeft een dagelijks getij nodig en een strook hoge vegetatie of drijfvuil waarin hij bij hoogwater kan schuilen. Zoetwatermoeras in het binnenland en open water zonder oevervegetatie mijdt hij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel langs de Atlantische kust van Zuid-New England tot Florida en verder westwaarts langs de Golfkust tot Texas en Tamaulipas, met groepen op de Bahama's, Cuba, Hispaniola, Puerto Rico, de noordelijke Antillen, het noorden van Yucatán en de kust van Belize. Alleen de noordelijkste vogels verlaten in de winter hun moeras en schuiven zuidwaarts; de rest blijft het hele jaar. Tot 2014 werd de soort samen met de Californische ral en de mangroveral als één soort geteld; sindsdien zijn het er drie. Aan de oostkust bleef het aantal in de laatste decennia betrekkelijk stabiel, al is er in twee eeuwen veel kwelder verdwenen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga bij een springtij of na een aanlandige storm naar een kweldergebied: bij extreem hoog water staat het slijkgras onder en lopen de rallen zichtbaar over de smalle stroken die droog blijven. Op gewone dagen is het laatste uur voor zonsondergang de beste tijd, wanneer een enkele roep het hele moeras aan het klapperen zet. Loop niet het moeras in maar blijf op een dijk of vlonderpad staan; de vogel komt vanzelf langs de kreekrand.

Staat van instandhouding

Op wereldschaal niet bedreigd (LC), met stabiele aantallen langs de kust van de Verenigde Staten. Het verlies van kwelder aan inpoldering, bebouwing en verzilting is de oude bedreiging; de stijgende zeespiegel is de nieuwe, want een kwelder die tegen een dijk of een weg aan ligt kan niet landinwaarts meebewegen. Overstroming van de nesten bij springtij en storm kost elk jaar legsels, en olierampen aan de Golfkust hebben plaatselijk hele moerassen getroffen.

Wetenschappelijke naam

Rallus crepitans | Gmelin, 1789

Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1789 als Rallus crepitans, in de dertiende uitgave van Linnaeus' Systema Naturae; ze staat nog in dat geslacht en daarom staan auteur en jaartal zonder haakjes. crepitans is het Latijnse deelwoord van crepitare, 'ratelen' of 'klapperen', naar de reeks roepen. De oorspronkelijke typelocatie luidde alleen 'in Noveboraco', in New York; later is die beperkt tot Long Island. De Nederlandse en de Engelse naam zeggen allebei hetzelfde als de soortnaam.