Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Killdeerplevier

Killdeerplevier | Charadrius vociferus

Killdeer | Chorlo tildío

De killdeerplevier is de plevier die zich van water niets aantrekt: hij broedt op grind, op weiland, op parkeerterreinen en op platte daken, ver van elke oever. Twee zwarte borstbanden maken hem tot de enige plevier van het gidsgebied die op patroon alleen al van iedere andere te scheiden is.

Killdeerplevier (Charadrius vociferus)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Luidruchtig als geen andere plevier, en meestal eerder gehoord dan gezien: een schel, hoog kil-dièh dat hem in het Engels zijn naam gaf, en een opgewonden, snel herhaald die-die-die-die zodra er iemand te dicht bij het nest komt. In baltsvlucht laat hij een lang aangehouden, jengelend tjiew-tjiew-tjiew horen, traag en klagend, minutenlang volgehouden. Hij roept ook in het donker: op heldere voorjaarsnachten is zijn geluid boven akkers en dorpen vaak het enige vogelgeluid.

Luister: ZangXC1146761

Opname: Rory Nefdt — CC BY-NC-SA 4.0 · Flag Ponds Nature Park Delaware, United States · xeno-canto

Herkenning

Een slanke, langstaartige plevier, bruin van boven en wit van onder, met twee scherpe zwarte borstbanden — bij alle andere plevieren van het gebied is er hoogstens één. Het gezicht is zwart-wit getekend met witte voorhoofdsband en wenkbrauwstreep, de oogring is rood en in de vlucht valt de oranjeroestkleurige stuit en staartbasis op, met een zwarte subterminale band en een witte vleugelstreep. De poten zijn lang en vuilroze, de houding rechtop; hij loopt in korte spurtjes met abrupte stops en een voorovergebogen pik. Jonge vogels zijn als de ouders getekend; alleen de donsjongen hebben nog maar één band, wat elk voorjaar tot verkeerde determinaties leidt.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse bontbekplevier is veel kleiner en compacter, heeft één borstband, een kort oranje-met-zwart snaveltje, oranje poten en een gewoon bruine stuit. De dikbekplevier (Anarhynchus wilsonia) van de zuidelijke kusten heeft eveneens één band, maar die is breed en zwaar, en zijn zware zwarte snavel is kenmerkend. De prairieplevier van de hoge prairie mist elke borstband en is egaal zandkleurig; de Amerikaanse strandplevier is bleker en veel kleiner. De lange oranje staart van de killdeerplevier is in de vlucht altijd de beslissende aanwijzing.

Leefgebied

Open, kale of kortbegroeide grond, en dat mag vrijwel overal zijn: grindvlaktes langs rivieren, overbeweid grasland, geploegde akkers, modderranden van plassen, golfbanen, gazons, vliegvelden, spoorwegemplacementen en de grindstroken van bedrijfsdaken. Water is welkom maar niet nodig; hij foerageert op regenwormen, kevers en sprinkhanen op het droge. Het nest is een kuiltje, uitgelegd met steentjes, scherven of stukjes hout, waarin vier donkergevlekte eieren liggen die van het grind eromheen nauwelijks te onderscheiden zijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel van centraal Alaska en het Canadese binnenland — noordwaarts tot ongeveer de zestigste breedtegraad — door de gehele Verenigde Staten tot in Noord- en Centraal-Mexico. In het noorden een trekvogel die de winter doorbrengt in het zuiden van de Verenigde Staten, Mexico, Midden-Amerika, het Caraïbisch gebied en Noord-Zuid-Amerika; vanaf ruwweg de lijn Oregon–Ohio zuidwaarts blijft hij het hele jaar. Hij trekt in kleine losse groepjes, vaak 's nachts, en is een van de eerste terugkerende soorten: in het noorden staat hij al op de laatste sneeuw. In Groenland is hij een zeldzame dwaalgast.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loopt een killdeerplevier voor je uit te strompelen met een hangende vleugel en een wijd gespreide oranje staart, ga dan niet achter hem aan: dat is de afleidingsvertoning, en het nest of de kuikens liggen precies dáár waar je staat. Kijk eerst naar je voeten en trek je langs dezelfde weg terug. Op een parkeerterrein of een grinddak in de bebouwde kom is het luidruchtige paar in maart vaak de eerste broedvogel van het jaar.

Staat van instandhouding

Nog altijd wijdverbreid en talrijk — de wereldpopulatie wordt op een paar miljoen vogels geschat — maar de tellingen van de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laten al decennia een gestage achteruitgang zien, van meer dan twintig procent over drie generaties. Op grond daarvan staat de soort sinds de recente herbeoordeling als gevoelig (NT) op de Rode Lijst. Dat wringt met de dagelijkse ervaring van de vogelaar, die hem overal ziet, maar de oorzaken zijn herkenbaar: verlies van extensief beweid grasland, insectenarmoede door bestrijdingsmiddelen op akker en gazon, verkeersslachtoffers langs bermen, en nesten die op bouwterreinen en parkeerplaatsen simpelweg worden weggereden.

Wetenschappelijke naam

Charadrius vociferus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 in de tiende editie van Systema Naturae als Charadrius vociferus; omdat ze nog altijd staat in het geslacht waarin hij haar plaatste, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Charadrius voerde hij in datzelfde werk in. Charadrius is laat-Latijn voor een geelachtige vogel die in de vierde-eeuwse Vulgaat wordt genoemd, ontleend aan Grieks kharadrios, een vogel van ravijnen en beekbeddingen (kharadra, 'ravijn'); vociferus is Latijn voor 'schreeuwend', van vox, 'stem', en ferre, 'dragen' — een van de treffendste soortnamen die Linnaeus gaf. Zijn beschrijving berustte op de 'Chattering Plover' van Mark Catesby uit Carolina; de typelocatie luidt North America en werd later beperkt tot South Carolina.