Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Aziatische goudplevier
Aziatische goudplevier | Pluvialis fulva
Pacific Golden-Plover | Chorlito dorado siberiano
De Aziatische goudplevier broedt aan weerszijden van de Beringzee en vliegt vanuit West-Alaska in één ruk over ruim vierduizend kilometer open oceaan naar Hawaï. Daar staat hij de hele winter op gazons, golfbanen en schoolpleinen, zo plaatsvast dat geringde vogels jaar na jaar hetzelfde grasveld bezetten.
Geluid
De vluchtroep is een helder, tweelettergrepig tjoe-wiet, aan het eind duidelijk omhoog — scherper en fluitender dan de roep van de Amerikaanse goudplevier, en enigszins als die van de Amerikaanse bontbekplevier. Op de Hawaïaanse gazons roepen overwinteraars het hele seizoen door, vooral bij grensruzies met de buren op het volgende grasveld. Op de broedtoendra zingt het mannetje in een trage baltsvlucht een aanhoudend, klagend kloe-ie kloe-ie, met stijve, ondiepe vleugelslagen. In april klinkt die baltsroep opeens ook op de wintergronden, kort voordat de vogels vertrekken.
Opname: Feather V — CC BY-NC-SA 4.0 · Shenzhen Talent Park, Guangdong Province, China · xeno-canto
Herkenning
In zomerkleed is de onderzijde zwart van kin tot buik, maar op de flanken en onder de staart blijven witte vlekken staan, zodat het zwart onderbroken oogt; de witte band van voorhoofd naar zijhals loopt als een gebroken streep door tot op de flank. De bovenzijde is dicht en helder goudgeel gespikkeld, warmer van tint dan bij de Amerikaanse goudplevier. Het vrouwtje is doffer zwart met meer wit erdoorheen; jonge vogels en wintervogels zijn goudbruin met een geelbruine wenkbrauwstreep en een fijn gestreepte borst. Hij is de kleinste en slankste van de vier plevieren van zijn geslacht, met lange poten waarvan de tenen in de vlucht net voorbij het staarteind uitsteken, en met korte vleugelpunten die opgevouwen maar weinig voorbij de staart komen. De veren onder de vleugel en de oksels zijn grijswit.
Verwarringssoorten
Het scherpst is het verschil met de Amerikaanse goudplevier (Pluvialis dominica): die is in zomerkleed tot onder de staart zwart zonder wit op de flank, heeft koelere, zilverachtige spikkels op de rug, langere vleugelpunten en kortere poten, en in de vlucht steken zijn tenen niet voorbij het staarteind uit. In winterkleed is de Aziatische goudplevier warm goudbruin met een geelbruine wenkbrauw, en de Amerikaanse koel grauwgrijs met een sterker gepette kop. De goudplevier van Europa (P. apricaria) is forser en korter van poot en heeft witte in plaats van grijswitte oksels; de zilverplevier (P. squatarola) is groter en grijs, met zwarte oksels, een witte stuit en een witte vleugelstreep. Op Hawaï speelt het probleem nauwelijks: daar is dit de enige goudplevier die er regelmatig staat.
Leefgebied
Broedt op vlakke, vochtige toendra met zeggen en dwergwilg, doorgaans lager en natter dan de ruggen waar de Amerikaanse goudplevier broedt. In de winter is hij een vogel van kort gras en open grond, en dat mag door en door menselijk zijn: gazons, parken, golfbanen, sportvelden, vliegvelden, begraafplaatsen en bermen. Daarnaast staat hij op slikplaten, zandstranden, kwelders en de randen van visvijvers en zoutpannen. Hij mijdt hoog gras en gesloten begroeiing, en is sterk plaatsvast: één vogel bezet een winter lang een paar honderd vierkante meter en verjaagt daar iedere soortgenoot.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt op de toendra van Noord- en Oost-Siberië en, in het gidsgebied, langs de westkust van Alaska, van het Yukon-Kuskokwim-delta over het Seward-schiereiland tot Sint-Laurenseiland. De Alaskaanse vogels vliegen in het najaar zonder tussenlanding naar Hawaï; een deel blijft daar de winter, een deel gaat door naar de eilanden van de Grote Oceaan, Australië en Nieuw-Zeeland. Langs de westkust van Noord-Amerika komt hij in kleine aantallen door, vooral in de nazomer en de herfst, en in Californië overwintert elk jaar een handvol vogels aan de kust. In de rest van het gidsgebied is hij een zeldzame gast; op Hawaï daarentegen is hij een van de talrijkste wintervogels van het open land.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Op Hawaï hoef je hem niet te zoeken: kijk op elk stuk kort gras — een hotelgazon, een schoolplein, een begraafplaats — en tel de vogels die er elk op hun eigen plek staan, meestal met tientallen meters ertussen. Let van maart tot begin mei op de rui: het bruin verandert dan in enkele weken in zwart met goud, en de vordering is van dag tot dag te volgen. Op het vasteland zijn de nazomer en de herfst aan de Pacifische kust de beste tijd, tussen de troepen zilverplevieren op de slikplaten.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op enkele honderdduizenden vogels geschat en geldt als niet bedreigd (LC); op Hawaï alleen overwinteren er ruim tienduizend. De Aziatische trekbanen staan wel onder druk door de inpoldering van getijdengebied langs de Gele Zee, en op de eilanden zijn katten en ratten een gevaar voor rustende en overwinterende vogels. Voor het Alaskaanse deel van de populatie ontbreekt een langjarige telling, zodat de trend daar niet vaststaat.
Wetenschappelijke naam
Pluvialis fulva | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 in de dertiende editie van Systema Naturae als Charadrius fulvus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pluvialis werd in 1760 ingevoerd door Brisson en is Latijn voor 'van de regen', van pluvia. fulvus is Latijn voor 'geelbruin' of 'goudbruin' en slaat op de spikkeling van de bovenzijde. De typelocatie is Tahiti: het beschreven exemplaar kwam mee van een van de reizen van Cook naar de Grote Oceaan, en dus uit een overwinteringsgebied en niet uit het broedgebied.




