Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Kastanjezanger

Kastanjezanger | Setophaga castanea

Bay-breasted Warbler | Reinita castaña

De kastanjezanger is een forse zanger van het boreale sparrenbos, in broedkleed te kennen aan de kastanjebruine kruin, keel en flanken tegen een zwart gezicht en een crèmekleurige halsvlek. Zijn aantal stijgt en daalt met de uitbraken van de sparrenrups, waarvan hij tijdens het broedseizoen vrijwel leeft.

Kastanjezanger (Setophaga castanea)
Foto: Bettina Arrigoni — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit vier tot acht hoge, ijle notities op gelijke toonhoogte, tsie tsie tsie tsie, dunner en trager dan de ratel van de zwartkopzanger en zonder het aanzwellen en wegvallen daarvan. Er is een tweede, iets lagere versie met een tweelettergrepig ritme. De roep is een scherp, hoog tsip; op nachtelijke trek klinkt een kort, opgaand vliegroepje. Mannetjes zingen al foeragerend en jagen rivalen door de kroon.

Luister: ZangXC1082106

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · Point Pelee National Park, Essex County, Ontario, Canada · xeno-canto

Herkenning

Het broedende mannetje is grijs van boven met zwarte rugstrepen en twee brede witte vleugelstrepen; het gezicht is zwart, de kruin, keel en flanken zijn donker kastanjebruin en in de hals staat een grote crèmekleurige vlek. Het vrouwtje heeft hetzelfde patroon, maar bleker en met minder kastanjebruin. In het najaar zijn beide olijfgroen op rug, nek en kop, met vage donkere rugstrepen, ongestreepte vaalgele onderdelen en kaneelkleurige onderstaartdekveren; vaak blijft een zweem kastanjebruin op de flank staan. De poten zijn dan donker.

Verwarrings­soorten

Het herfstkleed lijkt sterk op dat van de zwartkopzanger. De kastanjezanger heeft kaneelkleurige tot okerkleurige onderstaartdekveren waar de zwartkopzanger witte heeft, ongestreepte flanken waar die fijne donkere streepjes toont, en donkere in plaats van bleke poten. De dennenzanger mist de rugstrepen en heeft een langere staart. In broedkleed is verwarring uitgesloten: geen andere zanger combineert een zwart gezicht met kastanjebruine kruin en flanken.

Leefgebied

Broedt in gesloten, oud sparren- en fijnsparbos van de boreale zone, en foerageert daarbinnen bij voorkeur in de onderste en middelste takkenlaag, waarmee hij de concurrentie met verwanten in de top ontloopt. Tijdens uitbraken van de sparrenrups gebruikt hij ook andere bostypen en broedt hij in hogere dichtheid. Op trek verblijft hij in loof- en gemengd bos. In het overwinteringsgebied zit hij in vochtig laaglandbos en bergbos, waar hij zich bij gemengde troepen in de kroonlaag aansluit.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt van Noordoost-Brits-Columbia en Noord-Alberta oostwaarts door Saskatchewan, Manitoba, Ontario en Quebec tot Newfoundland, met een uitloper in Noord-Minnesota, Noord-Michigan, Noord-New York en New England. De trek gaat grotendeels over het oosten van de Verenigde Staten en de Golf van Mexico. Overwinterd wordt in Panama en het noordwesten van Zuid-Amerika, met kleinere aantallen in Zuid-Midden-Amerika en op enkele Caraïbische eilanden; het winterareaal ligt daarmee vrijwel geheel buiten dit gidsgebied.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem tijdens de doortrek in mei, wanneer het broedkleed nog volledig is en de kastanjebruine flanken van onderaf zichtbaar zijn. In september loont het om bij elke bleke olijfgroene zanger onder de staart te kijken: de kaneelkleurige onderstaartdekveren beslissen het verschil met de zwartkopzanger sneller dan welk ander kenmerk ook.

Staat van instandhouding

De soort is niet bedreigd (LC). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 9,9 miljoen vogels en noteert een afname van ongeveer negen procent sinds 1970; de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) is 11 van 20. Omdat de aantallen meebewegen met de cyclus van de sparrenrups, zeggen korte reeksen weinig en zijn trends pas over decennia af te lezen. Grootschalige bespuiting tegen de sparrenrups verkleint zijn voedselaanbod, en versnippering van het boreale bos en ontbossing in het winterareaal drukken op de populatie; aanvaringen met zendmasten tijdens de trek vormen een extra verliespost.

Wetenschappelijke naam

Setophaga castanea | (Wilson, 1810)

Alexander Wilson beschreef de soort in 1810 als Sylvia castanea, naar een exemplaar uit Pennsylvania; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton castanea is Latijn voor 'kastanjekleurig', naar de kruin, keel en flanken van het broedende mannetje, waarnaar ook de Engelse en de Nederlandse naam verwijzen. Het geslacht Setophaga werd in 1827 door William Swainson ingevoerd, uit het Griekse ses 'mot' en phagos 'etend'.