Alle soorten › Zangvogels › Lachvogels › Japanse nachtegaal
Japanse nachtegaal | Leiothrix lutea
Red-billed Leiothrix | Ruiseñor del Japón
Een felgekleurde vogel met een koraalrode snavel en oranje keel, die in het natte bergbos van Hawaï bijna altijd achter bladeren blijft. De naam klopt op geen enkel punt: hij komt niet uit Japan maar uit de Himalaya en China, en met een nachtegaal heeft hij niets te maken. In de jaren twintig en dertig werd hij op de eilanden losgelaten, waar hij nu op vier eilanden zit.
Geluid
De zang is een luide, rollende strofe van drie tot zeven volle, fluitende tonen die eindeloos wordt herhaald, met een dwingende, bijna mechanische maat; hij draagt door een heel ravijn en komt zelden van een zichtbare vogel. Er wordt het hele jaar gezongen, met een hoogtepunt tussen februari en juni. Daarnaast klinkt een hard, ratelend tsjak-tsjak bij onraad en een dun tsiep waarmee de vogels binnen een groepje contact houden. Juist die volle zang maakte hem tot een van de meest verhandelde kooivogels ter wereld.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Veertien tot vijftien centimeter, achttien tot achtentwintig gram, en van dichtbij goed herkenbaar. De snavel is koraalrood, de keel helder geel en loopt op de borst uit in oranje; de bovenzijde is olijfgroen, de wangen en de zijhals blauwgrijs, de buik vuil geelwit. Op de gevouwen vleugel ligt een fel vlak van geel, oranje en karmijnrood langs de randen van de slagpennen, tegen zwart; de staart is donker en licht gevorkt. Het vrouwtje is iets doffer, met minder rood in de vleugel; jonge vogels hebben een zwartachtige snavel. De poten zijn vleeskleurig en stevig, de vleugels kort en rond.
Verwarringssoorten
Wie hem goed ziet, verwart hem met niets. Het probleem is dat men hem meestal een halve seconde ziet: dan lijkt hij op de Japanse struikzanger, die even groot is en in hetzelfde struweel zit maar egaal bruin is en geen kleur op de vleugel heeft. De witbrauwlijstergaai (Garrulax canorus) van dezelfde eilanden is groter, warm roodbruin en heeft een witte bril die van het oog naar achteren doorloopt. De Japanse brilvogel is veel kleiner en groen. Een flits rode snavel of geeloranje keel beslist het meteen.
Leefgebied
Nat bergbos met een dichte onderlaag: ʻohiʻa- en koabos met boomvarens, ravijnen vol gember en guave, en verwilderde beplanting langs bosranden. Hij komt van zeeniveau tot boven de tweeduizend vijfhonderd meter voor, maar is het talrijkst tussen vierhonderd en twaalfhonderd meter, waar meer dan duizend millimeter regen per jaar valt. Droge, open aanplant van eucalyptus en casuarina laat hij links liggen, en van de laagste zone heeft hij zich in de loop van de tijd teruggetrokken. Wat hij vraagt is een gesloten struiklaag met bladafval eronder.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Zijn eigen gebied loopt van Noord-India, Nepal en Bhutan door Birma naar Zuid-China, buiten deze kaart; op de kaart staat alleen Hawaï. Tussen 1911 en 1936 zijn er ruim veertig invoeren geboekt met samen ongeveer duizend vogels, en er werd losgelaten op Kauaʻi in 1918 en 1928, op Oʻahu ongeveer honderdvijfenzestig vogels in 1928, op Maui dertig in 1928, op Molokaʻi in 1929 en op het eiland Hawaï honderdvierentachtig tot tweehonderdtien vogels tussen 1929 en 1932. Binnen tien tot twintig jaar was hij plaatselijk de talrijkste zangvogel; ongeveer veertig jaar na de uitzetting trok hij zich op de meeste eilanden uit de lagere zone terug. Op Kauaʻi is hij verdwenen — de laatste zekere waarneming was elf vogels bij de kersttelling van Kapaa in 1974 — en op Molokaʻi kelderde hij van ongeveer achttienhonderd vogels in 1980 tot enkele exemplaren per telling. Op Oʻahu stortte hij in de jaren zestig in en herstelde hij vanaf de jaren tachtig; op Maui (rond negentienduizend achthonderd in 1980) en het eiland Hawaï (rond achtennegentigduizend in 1979) is hij stabiel gebleven, terwijl hij op Lanaʻi, Niʻihau en Kahoʻolawe ontbreekt.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
Loop in de ochtend een bospad in het natte bergbos en blijf staan bij de eerste rollende strofe; de zanger zit meestal binnen vijftien meter, laag in het struweel. Wachten werkt beter dan zoeken: hij komt zelf naar de rand van het pad. De Saddle Road en de bossen boven Hilo op het eiland Hawaï, Hosmer Grove op Maui en de Koolau-kammen boven Honolulu zijn er de bekendste plekken voor.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). In zijn eigen gebied is hij algemeen en wordt hij in grote aantallen gevangen en verhandeld voor de kooivogelhandel. Op Hawaï wordt hij niet beheerd of bestreden, en zijn aantallen schommelen sterk zonder dat daar een aanwijsbare oorzaak voor is gevonden. Onderzoek op de eilanden noemt hem als drager van vogelmalaria en als verspreider van zaden van uitheemse struiken.
Wetenschappelijke naam
Leiothrix lutea | (Scopoli, 1786)
Scopoli beschreef de soort in 1786 als Sylvia (lutea), bij de zangers; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leiothrix werd in 1832 ingevoerd door Swainson, uit het Griekse leios, 'glad, effen', en thrix, 'haar', naar het zachte verenkleed. lutea is Latijn voor 'saffraangeel', naar de keel. Het beschreven exemplaar kwam uit China, via Sonnerat; Stresemann beperkte de typelocatie in 1923 tot de bergen van Anhui. De namen 'Japanse nachtegaal' en 'Pekin robin' uit de kooivogelhandel wijzen dus geen van beide naar de goede plek.


