Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Huismus
Huismus | Passer domesticus
House Sparrow | Gorrión común
De huismus is de vogel van de stoep, het terras en het tankstation: een gedrongen bruine vogel die tussen tafelpoten naar kruimels huppelt en zelden meer dan een paar meter van een gebouw zit. Hij hoort hier niet van nature thuis — in 1851 en 1852 werden er in Brooklyn vogels uit Engeland losgelaten — en binnen een eeuw zat hij van Canada tot Midden-Amerika. Sinds 1966 loopt zijn aantal in Noord-Amerika juist sterk terug.
Geluid
Het geluid van deze soort is een eindeloos herhaald tsjielp of filip, in toon iets verschillend per vogel, dat het mannetje maandenlang vanaf dezelfde dakgoot of tak naast zijn nestholte laat horen. In een groep loopt dat uit op een druk, gelijkmatig gekwetter zonder begin of eind — het geluid van een volle heg midden op de dag. In vlucht en bij opwinding klinkt een rollend tsjer-r-r, en bij een kat of een sperwer een scherp, snel herhaald tsjek tsjek tsjek waarop de hele groep de dekking in duikt. Jonge vogels bedelen met een hees, aanhoudend piepen dat de hele zomer onder dakranden vandaan komt.
Opname: Philippe Grange — CC0 · Arrondissement de la Roche-sur-Yon (near La Roche-sur-Yon), Vendée, Pays de la Loire, France · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje heeft een grijze kruin met een kastanjebruine band die van achter het oog tot in de nek loopt, een witte wangvlek en een zwarte bef die van de kin over de borst uitloopt; in verse winterveren is die bef nog door lichte veerranden bedekt en in het voorjaar op zijn grootst. Het vrouwtje is effen grauwbruin, met een vale brede streep achter het oog, een ongetekende borst en een lichte snavel. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn warmer geelbruin en hebben een gele mondhoek. De rug is bij beide geslachten warmbruin met zwarte lengtestrepen en de vleugel draagt één smalle witte streep. De bouw is compact, met een korte staart, een dikke kop en een zware kegelsnavel, zwart in de zomer en hoornkleurig in de winter.
Verwarringssoorten
De ringmus (Passer montanus), in dit gebied alleen rond Saint Louis losgelaten en daar gebleven, heeft in beide geslachten een geheel kastanjebruine kruin en een zwarte vlek midden op de witte wang. Inheemse gorzen als de zanggors zijn slanker, langer van staart en fijner van snavel, met een gestreepte borst met een donkere middenvlek, en houden zich in ruigte op in plaats van op straat. Vrouwtjes en jonge huismussen worden het vaakst verwisseld: let op de effen borst zonder enige streping en op de korte, zware snavel.
Leefgebied
Steden, dorpen, boerenerven, veemarkten, havens, bedrijventerreinen, tuinen en parken — overal waar graan, kruimels of veevoer te vinden zijn en een holte om in te broeden. Van gesloten bos, eindeloos grasland, echte woestijn en het hoge noorden blijft hij weg; hij volgt de mens, en waar de bebouwing ophoudt houdt ook de mus op. In de zomer wordt op akkers gefoerageerd, in de winter schuift de groep op naar erven en stallen. Het is een van de weinige vogels die zich binnen in loodsen, stationshallen en winkelcentra thuis voelt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
De Noord-Amerikaanse stand gaat terug op vogels die in 1851 en 1852 in Brooklyn zijn losgelaten, bedoeld om rupsen in de stadsbomen te bestrijden; daarna volgden tientallen afzonderlijke uitzettingen, van Portland tot San Francisco. Rond 1870 zat hij al van South Carolina tot Texas en Montreal, in de jaren zeventig van die eeuw bereikte hij de westkust, en later Alaska en Midden-Amerika. Nu broedt hij van het bewoonde deel van Canada tot Panama, met vaste groepen op Hawaï, Bermuda, de Bahama's, Cuba, Jamaica en Puerto Rico. Alleen het hoge noorden en de onbewoonde woestijn zijn leeg gebleven.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk in maart of april naar een mannetje dat naast een gat onder een dakrand zit te roepen: hij bezet die plek de hele dag en zit er de volgende ochtend weer. Op een voederplank in de winter is dit de soort die in groepjes komt en blijft, terwijl inheemse gorzen eronder over de grond scharrelen; dat is de beste gelegenheid om de vrouwtjes van beide naast elkaar te zien. Let daarbij op de snavel: hoornkleurig in de winter, zwart in het broedseizoen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd broeden er naar schatting zevenhonderdveertig miljoen huismussen en de soort geldt als niet bedreigd (LC). In Noord-Amerika loopt het aantal sinds 1966 met ongeveer drie procent per jaar terug — samen bijna tachtig procent — en ook in Europa is de afname groot. De oorzaken worden gezocht in de schaalvergroting van de landbouw, waardoor gemorst graan en veevoer verdwijnen, en in gesloten, gladde nieuwbouw waarin geen nestholte meer zit. Als holenbroeder neemt hij tegelijk nestkasten in van inheemse vogels, en daarom valt hij niet onder de Migratory Bird Treaty Act (het Amerikaans-Canadese trekvogelverdrag van 1918).
Wetenschappelijke naam
Passer domesticus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla domestica, bij de vinken; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passer werd in 1760 ingevoerd door Brisson en is niet meer dan het gewone Latijnse woord voor mus. domesticus betekent 'van het huis', en dat is precies waar de vogel zit. De typelocatie ligt in Zweden: net als bij enkele andere ingevoerde soorten in deze gids is de vogel beschreven naar een Europees exemplaar, want in 1758 kwam hij in Noord-Amerika nog niet voor.




