Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Grote piewie

Grote piewie | Contopus pertinax

Greater Pewee | Pibí Tengofrío

De grote piewie is een grote, egaal grijze tiran van het dennen- en dennen-eikenbos, met een spitse kuif en een geheel oranje ondersnavel. In de Verenigde Staten broedt hij alleen hoog in de bergen van Arizona en West-New Mexico; verder zuidwaarts is hij standvogel tot in Nicaragua. Zijn zang bestaat uit drie langgerekte fluittonen die in Mexico als de naam José María worden gehoord.

Grote piewie (Contopus pertinax)
Foto: Len Worthington — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een klaaglijk, langgerekt gefluit van drie of vier lettergrepen: ho-SEE — ma-RIE-a, met een aangehouden tweede noot en een dalende slotnoot. Die trage, gerekte piewie-toon draagt ver door open dennenbos en is doorgaans het eerste teken dat de soort er zit. De roep is een reeks korte, heldere pip-notities, vaak drie tot zes achter elkaar, sneller wanneer een indringer nadert. Hij zingt van de eerste warme dagen in april tot in augustus, ook in de middaghitte.

Luister: RoepXC1107062

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · La Nevería, San Pablo Cuatro Venados, Oaxaca, Mexico · xeno-canto

Herkenning

Bijna zo groot als de sparrenpiewie, maar van onderen vrijwel egaal olijfgrijs: de borstzijden zijn niet donkerder dan het midden, zodat het vestpatroon ontbreekt. Op de kop staat een korte, spitse kuif die de achterkop hoekig maakt; de teugel is bleek en er is geen oogring. De ondersnavel is over de hele lengte oranje, zonder donkere punt. De vleugels zijn donker met vage, onduidelijke vleugelstrepen; de staart is langer dan bij de sparrenpiewie. Man en vrouw zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De sparrenpiewie is even groot maar heeft scherp afgetekende donkere flanken tegen een witte middenstreep, een kortere staart en een ondersnavel met donkere punt, en zingt drie losse noten in plaats van een gerekt ho-SEE ma-RIE-a. De westelijke bospiewie is aanzienlijk kleiner, mist de kuif, heeft duidelijke vleugelstrepen en slechts de basis van de ondersnavel geel. De monnikskaptiran heeft een gele buik en zwartgrijze kap. Wanneer de vogel zwijgt, zijn de kopvorm en de doorlopend oranje ondersnavel de bruikbaarste kenmerken.

Leefgebied

Open dennenbos en dennen-eikenbos van bergen en canyons, met hoge bomen en een vrije onderlaag, in de subtropische en gematigde zone tussen ruwweg 900 en 3400 meter; in het noorden van het areaal vooral tussen 2100 en 3000 meter. Hij jaagt vanaf hoge, uitstekende takken boven open plekken en langs beken met Arizona-plataan en esdoorn. De weinige vogels die in de winter in Arizona en Zuid-Californië blijven, zitten in laagland met bomengroepen, parken en beekbegeleidend bos.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel over vrijwel heel het Mexicaanse bergland en door het hoogland van Guatemala, Belize, Honduras, El Salvador en Nicaragua. In de Verenigde Staten broedt hij alleen in de bergen van Midden- en Zuidoost-Arizona en plaatselijk in West-New Mexico, waar hij een zomervogel is en in de winter grotendeels naar Mexico verdwijnt. Enkele vogels blijven wel in de laaggelegen delen van Zuid-Arizona en in Zuid-Californië overwinteren. De noordelijke nominaatvorm en de kleinere minor ten oosten van de Landengte van Tehuantepec verschillen ook in zang.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in mei of juni naar Mount Lemmon bij Tucson, Madera Canyon of de Chiricahua Mountains en luister boven de 2000 meter naar het trage ho-SEE ma-RIE-a; het geluid gaat verder dan het bereik van de verrekijker. Zoek daarna de hoogste kale tak van een ponderosa af. Kijk bij een zittende vogel van opzij naar de ondersnavel: volledig oranje betekent grote piewie, oranje met donkere punt de sparrenpiewie.

Staat van instandhouding

De Rode Lijst houdt de soort op niet bedreigd (LC); de wereldpopulatie wordt op ongeveer twee miljoen volwassen vogels geschat, met een licht dalende trend. Directe bedreigingen zijn niet vastgesteld. Het verdwijnen van grote, oude dennen door kap en door branden die hele opstanden doden, vermindert het aanbod van nestbomen en jachtposten. Het Amerikaanse deel van de populatie is klein en beperkt tot een handvol bergketens, waardoor lokale bosbranden er meteen doorwerken.

Wetenschappelijke naam

Contopus pertinax | Cabanis; Heine, 1860

Jean Cabanis en Ferdinand Heine beschreven de soort in 1860 al in het geslacht Contopus, zodat auteurs en jaartal zonder haakjes staan. Het geslacht Contopus was in 1855 door Cabanis ingevoerd, naar het Griekse kontos 'kort' en pous 'voet'. De soortnaam pertinax is Latijn voor 'volhardend, hardnekkig'. Het beschreven exemplaar kwam uit Xalapa in Veracruz, Mexico. De Spaanse naam tengofrío is, net als José María, een weergave van de zang.