Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Dunbekpijlstormvogel
Dunbekpijlstormvogel | Ardenna tenuirostris
Short-tailed Shearwater | Pardela de Tasmania
De dunbekpijlstormvogel is een van de talrijkste zeevogels ter wereld: alleen al in Australië broeden er tientallen miljoenen paren, in dichte kolonies op eilanden voor de zuidkust. Buiten het broedseizoen trekt vrijwel de hele populatie in een grote lus over de Grote Oceaan naar het noorden, tot in de wateren van Alaska. Vanaf daar keert de soort in het najaar via de Amerikaanse westkust weer terug naar Australië.
Geluid
In de dichte broedkolonies klinkt 's nachts een onophoudelijk, kraaiend en kreunend koor uit de holen, waarmee de vogels onder de grond hun partner en jong terugvinden; overdag zijn de kolonies verlaten en stil. Op de trek door Noord-Amerikaanse wateren is de soort geluidloos; alleen het geluid van vleugels en water is te horen wanneer een groep opvliegt. De kolonieroep zelf hoor je in dit deel van de wereld dus nooit.
Opname: nick talbot — CC BY-NC-SA 4.0 · Phillip Island, Victoria, Australia · xeno-canto
Herkenning
De dunbekpijlstormvogel is vrijwel egaal donkerbruin tot zwart, van boven iets donkerder dan van onder, zonder scherpe kleurgrenzen. De snavel is kort en dun, de kop rond met een steil voorhoofd, en de staart kort en afgerond. De ondervleugel is dof grijsbruin, met hooguit een vage lichtere baan in het midden, veel minder uitgesproken dan bij de grotere grauwe pijlstormvogel. Geslachten en juveniele vogels verschillen niet zichtbaar van elkaar.
Verwarringssoorten
Verreweg de grootste verwarring bestaat met de grauwe pijlstormvogel (Ardenna grisea), waarmee de soort vaak in dezelfde groepen vliegt: die is groter, heeft een langere en zwaardere snavel, een schuiner voorhoofd en een duidelijk zilverwitte baan over het midden van de ondervleugel. De dunbekpijlstormvogel is kleiner, ronder van kop en doffer van ondervleugel, en die verschillen zijn vooral op korte afstand zichtbaar. Op grote afstand zijn de twee soorten voor de meeste waarnemers niet te onderscheiden.
Leefgebied
De soort leeft vrijwel het hele jaar op open zee, met een voorkeur voor koude, voedselrijke wateren boven het continentaal plat. Voor de kust van Alaska verzamelt hij zich in het voorjaar en de zomer vaak in grote aantallen bij nauwe zeestraten waar sterke stromingen voedsel opstuwen, zoals Unimak Pass in de Aleoeten. Broedgrond, ver buiten dit gidsgebied, bestaat uit met gras begroeide duinen en hellingen op eilanden voor Zuidoost-Australië en Tasmanië.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
De hele wereldpopulatie broedt op eilanden voor Zuidoost-Australië en Tasmanië. Na het broedseizoen trekt de soort in een grote lus door de Grote Oceaan noordwaarts, met in de Noord-Amerikaanse zomer grote aantallen in de Beringzee en bij de Aleoeten voor de kust van Alaska. In het najaar trekken de vogels zuidwaarts terug langs de kust van Washington, Oregon en Californië, voordat ze de oceaan weer oversteken naar Australië.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De beste kans in Noord-Amerika is een boottocht bij de Aleoeten in de zomer, waar soms honderdduizenden vogels tegelijk over Unimak Pass trekken. Let onderweg op het contrast met de talrijkere grauwe pijlstormvogel: een kortere, dunnere snavel en een dof in plaats van zilverwit gekleurde ondervleugel wijzen op de dunbekpijlstormvogel.
Staat van instandhouding
Met tientallen miljoenen broedparen is de soort niet bedreigd (LC), al wisselen de aantallen van jaar tot jaar sterk met de voedselsituatie op zee. In Tasmanië worden jonge vogels al generaties lang op beperkte schaal en onder vergunning geoogst als muttonbird (de lokale naam voor de vogel als voedselbron), een praktijk die als duurzaam geldt. Warmere zomers en voedseltekort in de Beringzee hebben de laatste decennia meermaals tot massale sterfte onder de trekkende vogels geleid.
Wetenschappelijke naam
Ardenna tenuirostris | (Temminck, 1836)
Temminck beschreef de soort in 1836 als Procellaria tenuirostris, 'dunsnavelig', naar de smalle snavel die haar van verwante soorten onderscheidt; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ardenna werd in 1853 door Reichenbach ingesteld. De typelocatie ligt in de zeeën ten noorden van Japan en voor de kust van Korea, ver van de latere broedgebieden bij Australië.
