Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Drieteenstrandloper
Drieteenstrandloper | Calidris alba
Sanderling | Correlimos tridáctilo
De drieteenstrandloper is het witte vogeltje dat achter de terugtrekkende golf aan rent en voor de volgende weer wegschiet, alsof het op wieltjes staat. Zijn naam gaat over iets wat hij mist: als enige strandloper heeft hij geen achterteen. Sommige vogels leggen tussen het hoge noorden en Vuurland ruim tienduizend kilometer af in één enkele reis.
Geluid
Op het strand is hij grotendeels stil; wat je hoort is een kort, hard kwiet of twik, meestal als een groepje opvliegt en laag over de branding wegdraait. In het broedgebied hangt een baltsend mannetje boven de toendra op trillende vleugels en laat het een aanhoudend, laag ratelend gesnor horen, eerder kikker dan vogel, met tussen de zinnen door een schril pliet. Die zang klinkt nooit buiten het noordpoolgebied, en daardoor is de soort voor de meeste waarnemers een vrijwel woordeloze verschijning.
Opname: Ricardo Hevia — CC BY-NC-SA 4.0 · Ortegal (near Cariño), A Coruña, Galicia, Spain · xeno-canto
Herkenning
In winterkleed is dit de witste strandloper die er is: helder wit van kop tot buik, met een parelgrijze rug en een zwarte vlek op de vleugelbocht die als een donker schoudertje uitsteekt. Snavel en poten zijn zwart, kort en recht, en de achterteen ontbreekt, wat het rennen zo soepel maakt. In de vlucht valt een brede witte vleugelstreep op tegen een verder donkere vleugel — op afstand het duidelijkste kenmerk. In zomerkleed zijn kop, borst en rug roodbruin met zwarte vlekken, en dan lijkt het een andere vogel. Jonge vogels in het najaar zijn wit van onderen met een zwart-wit geblokte bovenzijde.
Verwarringssoorten
De bonte strandloper (Calidris alpina) is even groot maar donkerder, met een langere snavel die aan de punt naar beneden buigt en in de zomer een zwarte buikvlek. De grijze strandloper (C. pusilla) is duidelijk kleiner en grauwer en mist zowel de witte vleugelstreep als het zwarte schoudertje. De kanoet (C. canutus) is groter en gedrongener, met een korte hals en een grijze stuit. Het gedrag helpt het meest: geen andere strandloper rent zo hard, zo laag en zo dicht op de waterlijn.
Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit
Leefgebied
Buiten het broedseizoen is dit een vogel van zand: brede, vlakke stranden met branding, en in mindere mate zandplaten, slikken en riviermondingen. Waar de kust rotsig of begroeid is ontbreekt hij vrijwel; een steenstrand of een kwelder gebruikt hij hooguit om te rusten. Op doortrek in het binnenland verschijnt hij langs zandige oevers van grote meren en stuwmeren, altijd in klein aantal en zelden langer dan een paar dagen. Gebroed wordt op kale, stenige grond in het uiterste noorden, op grindvlakten en droge ruggen met verspreide toendraplanten, meestal binnen een dagmars van de zee.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt in het hoge noorden van Canada — de eilanden van Nunavut en de Northwest Territories — en in Groenland, terwijl hij in Alaska vrijwel alleen doortrekker is. Overwinteren doet hij langs vrijwel elke zandkust van het werelddeel: van Massachusetts en het zuiden van Brits-Columbia zuidwaarts langs beide kusten, door Mexico en Midden-Amerika, over de hele Caraïbische eilandenrij en tot ver in Zuid-Amerika. In het binnenland komt hij alleen op doortrek voor, in kleine groepjes. Vogels die op één strand overwinteren keren daar jaar na jaar terug, soms hun leven lang naar dezelfde kilometer zand.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in september of oktober een breed zandstrand af, als de najaarstrek op gang is: jonge vogels laten zich dan vaak zo dicht naderen dat de ontbrekende achterteen te zien is, mits je laag gaat zitten en wacht tot ze naar je toe rennen. Let bij een groepje op de vleugelstreep zodra ze opvliegen; die maakt de soort tot ver in de branding herkenbaar.
Staat van instandhouding
De wereldwijde broedpopulatie wordt op ongeveer 650.000 vogels geschat en de Rode Lijst noemt de soort niet bedreigd (LC). Toch is in vijftig jaar meer dan de helft van de vogels verdwenen, en de afname is het laatste decennium sneller gegaan; in Noord-Amerika staat hij daarom op de lijst van soorten die op een kantelpunt zijn beland. De oorzaken liggen op het strand zelf: recreatie, bebouwing en kustverdediging nemen de rustplaatsen weg, en waar de eieren van degenkrabben worden weggevist verdwijnt het voedsel dat hem in het voorjaar op krachten moet brengen.
Wetenschappelijke naam
Calidris alba | (Pallas, 1764)
Pallas beschreef de soort in 1764 als Trynga alba; sinds ze in het geslacht Calidris is ondergebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris, bij Aristoteles de naam van een grijs gespikkelde vogel van de waterkant; het geslacht werd in 1804 ingevoerd door Merrem. alba is Latijn voor 'wit'. Dat past bij de typelocatie, de kust van de Noordzee: de vogel die de naam kreeg was een overwinteraar of doortrekker in zijn bleekste kleed, duizenden kilometers van het broedgebied.




