Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Dennensijs
Dennensijs | Spinus pinus
Pine Siskin | Jilguero de los pinos
De dennensijs is een kleine, van boven tot onder gestreepte vink van naaldbos, die zich verraadt door gele vlekken in vleugel en staart. Zijn aantal verspringt van jaar tot jaar: in winters met een slechte zaadoogst in het noorden verschijnen groepen tot ver in het zuiden van de Verenigde Staten, in andere winters blijft het hele gebied leeg.
Geluid
De vlucht- en contactroep is een hese, klimmende zrrrieeee, die aan het eind van de reeks omhoog trekt als een dichtdraaiende schroef — dat geluid is het betrouwbaarste kenmerk van de soort. Daarnaast klinkt een kort, hard tjie-tjie-tjie in de vlucht. De zang is een lange, doorlopende ratel van twitterende en zoemende notities zonder duidelijke frasegrens, vaak voorgedragen door meerdere vogels tegelijk in een boomtop. Groepen zijn vrijwel onafgebroken hoorbaar, ook tijdens het foerageren.
Opname: Greg Irving — CC BY-NC-SA 4.0 · Surveyor Creek Trail, Deer Park Clearcut, Clallam County, Washington, United States · xeno-canto
Herkenning
Bruin met een fijne, dichte streping over kop, rug, borst en flanken. De snavel is kegelvormig maar dun en spits voor een vink. In de vleugel zit een gele band aan de basis van de slagpennen, en de basis van de staartpennen is eveneens geel; beide vallen vooral op als de vogel opvliegt. De staart is kort en ingekeept. Een deel van de mannetjes is een groenmorfe: groener van boven, minder gestreept van onderen en met meer geel in vleugel en staart.
Verwarringssoorten
Vrouwtjes en winterkleed van de goudsijs zijn effen bruin zonder streping — juist de streping van de dennensijs sluit die uit. Barmsijzen hebben een rood voorhoofd en een zwarte kinvlek en missen het geel. De Mexicaanse roodmus is groter en grover, heeft een dikke stompe snavel en geen geel in de vleugel. De witbandsijs heeft een witte vleugelvlek en ongestreepte gele onderdelen. Bij twijfel: de dunne spitse snavel en de hese, omhoogtrekkende roep beslissen.
Leefgebied
Open naaldbos en gemengd bos, in het noorden sparren- en dennenbos, in het westen bergnaaldbos tot in de subalpiene zone. Hij foerageert hangend aan de takuiteinden van conifeer, els en berk en op zaaddragende kruiden in ruigten en akkerranden. In de winter is hij een vaste gast aan voedertafels met nigerzaad, in tuinen en parken. Hij zoekt ook mineralen op, onder meer aan gepekelde wegen en bij as- en zouthopen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt van Alaska en heel boreaal Canada zuidwaarts door de westelijke bergen tot in Mexico, en in het oosten tot de noordelijke staten. In de bergen van Mexico en Guatemala zit hij het hele jaar. In de winter kan hij vrijwel overal in de Verenigde Staten opduiken tot aan de Golfkust en Florida, maar de omvang van die verplaatsing hangt af van de zaadzetting van conifeer en berk in het noorden. Broedplaatsen liggen niet vast: een groep kan blijven hangen waar in de winter genoeg voedsel was en daar in het voorjaar tot broeden komen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Leer eerst de klimmende zrrrieeee: in een winters bos hoor je een groep eerder dan je hem ziet. Bij een voedertafel is de dunne spitse snavel het snelste kenmerk, samen met het geel dat pas bij het opvliegen te zien is. Groepen zijn vaak gemengd met goudsijzen en barmsijzen, dus scan een gemengde troep altijd door op streping.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 46 miljoen vogels. Toch daalde het aantal tussen 1966 en 2019 met ruim twee procent per jaar, samen bijna zeventig procent, en de soort staat op de lijst van gewone vogels in steile afname. De irruptieve (onregelmatig massaal uitwijkende) levenswijze maakt die trend lastig te meten, omdat een telling in het ene jaar duizenden vogels vindt waar het volgende jaar geen enkele zit. Bij voedertafels breken door de dichte groepen salmonella-uitbraken uit; daarnaast spelen kap van naaldbos en verkeerssterfte langs gepekelde wegen een rol.
Wetenschappelijke naam
Spinus pinus | (Wilson, 1810)
Alexander Wilson beschreef de soort in 1810 als Fringilla pinus, naar een exemplaar van Bush Hill bij Philadelphia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spinus werd in 1816 ingevoerd door Carl Ludwig Koch, naar het Griekse spinos, een antieke naam voor een kleine vink. De soortnaam pinus is Latijn voor 'den'. De Nederlandse en de Engelse naam wijzen allebei op datzelfde naaldbos.





