Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Cassins roodmus

Cassins roodmus | Haemorhous cassinii

Cassin's Finch | Camachuelo de Cassin

Cassins roodmus is de roodmus van het naaldbos in de bergen van het westen van Noord-Amerika, van Brits-Columbia tot Noord-New Mexico en, 's winters, tot in Centraal-Mexico. Hij is de grootste en langstsnavelige van de drie roodmussen en herkenbaar aan de puntige, scherp begrensde rode kruin van het mannetje.

Cassins roodmus (Haemorhous cassinii)
Foto: Don Faulkner — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een snel, hoog en helder gekwetter, langer en met meer toonhoogteverschil dan bij de andere twee roodmussen, en met korte imitaties van andere bosvogels erin — fragmenten van de dennengors, de grijze notenkraker of een spechtenroffel zijn geregeld te horen. De vluchtroep is een tweelettergrepig, droog kie-oep of tie-diep, dat door een overvliegende groep voortdurend wordt herhaald en het snelste onderscheid met de andere roodmussen geeft.

Luister: ZangXC941225

Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · Portal, Arizona, United States · xeno-canto

Herkenning

De grootste roodmus, met een lange snavel met rechte snijranden en een vrijwel platte bovenlijn, een korte gevorkte staart en een kruin die tot een punt oploopt. Het mannetje is rozerood gewassen op borst en rug, met een scherp begrensde, helderrode kruinvlek die als een petje op de bruinere kop ligt; de buik is wit en vrijwel ongestreept. Vrouwtje en jonge vogels zijn wit met fijne, scherpe, smalle bruine strepen op borst en flanken, met een smalle witte oogring en, anders dan bij de andere roodmussen, duidelijk gestreepte onderstaartdekveren.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse roodmus heeft een kortere snavel, een ronder kopprofiel, breder en waziger streping en effen witte onderstaartdekveren; bij het mannetje loopt het rood geleidelijk over in het bruin van de kruin in plaats van scherp te eindigen. De Mexicaanse roodmus heeft een korte, gebogen bovensnavel en bij het mannetje bruine streping op de flanken. De onderstaartdekveren zijn het betrouwbaarste kenmerk bij gestreepte vogels: gestreept bij cassins, effen bij de Amerikaanse roodmus.

Leefgebied

Open naaldbos in de bergen, hoofdzakelijk tussen ruwweg 900 en 3000 meter, met lodgepole-den, ponderosa-den, douglasspar, sparren en groepen ratelpopulier. Aan de droge randen van het areaal ook sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland)-steppe met verspreide jeneverbessen, en in de winter lager gelegen pinyon (laaggroeiende den van de droge zuidwestelijke bergvoeten)-jeneverbesbos en eikenland. Hij foerageert in de kruinen aan knoppen, zaad en kegels, en bezoekt in het najaar geregeld zoutrijke bodemplekken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel in de gebergten van Centraal-Brits-Columbia en Zuidwest-Alberta zuidwaarts door Washington, Oregon, Idaho, Montana, Wyoming, Nevada, Utah, Californië en Colorado tot Noord-Arizona en Noord-New Mexico. In de winter zakt hij vooral in hoogte en verspreidt hij zich over hetzelfde gebied, met een deel van de vogels zuidwaarts naar Neder-Californië, Sonora, Chihuahua en de Sierra Madre Occidental tot Centraal-Mexico. De trek is onregelmatig en volgt de kegeloogst, zodat het aantal per winter en per gebied sterk kan verschillen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in de vroege zomer bij een bergmeer of een parkeerplaats in ponderosa-dennenbos boven ongeveer 1500 meter, waar groepjes op de grond komen drinken. Let op de tweelettergrepige vluchtroep en op het silhouet van de kop: de lange, recht aflopende snavel en de puntige kruin vormen samen een bijna hoekige lijn die de andere roodmussen missen.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 3,2 miljoen vogels. De aantallen dalen sinds 1967, met de sterkste afname langs de kust van Californië, en de soort staat op de gele aandachtslijst van Partners in Flight. In 2019 werd ze op de Rode Lijst van gevoelig naar niet bedreigd (LC) teruggezet omdat de afname was afgezwakt. Houtkap, gewijzigd brandbeheer, droogte en ziekte worden als knelpunten genoemd, maar de oorzaken van de afname zijn nog weinig onderzocht.

Wetenschappelijke naam

Haemorhous cassinii | (Baird, 1854)

Spencer Fullerton Baird beschreef de soort in 1854 als Carpodacus cassinii; omdat ze later naar Haemorhous ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Haemorhous gaat terug op het Griekse haima 'bloed' en orrhos 'stuit'. De soortnaam eert John Cassin, conservator van de Academy of Natural Sciences in Philadelphia, naar wie ook een vireo, een gors en een gierzwaluw zijn genoemd. Het beschreven exemplaar kwam van een kampplaats die als New Mexico werd opgegeven maar in het huidige Yavapai County in Arizona blijkt te liggen.